Disclaimer

De informatie in dit onderdeel vormt geen bekendmaking in de zin van de Gemeentewet of de Algemene wet bestuursrecht. Alleen publicatie in Huis aan Huis, onder de kop Gemeentenieuws Oldebroek, heeft een officieel karakter.

U vindt onderstaand de geldende Algemeen Verbindende Voorschriften (verordeningen) en beleidsregels van de gemeente Oldebroek. In het onderdeel 'Concept regelgeving' vindt u de nog niet vastgestelde versies. Deze concept versies worden gebruikt tijdens de besluitvorming en hebben uitsluitend een informatief doel.

Zoeken in regelgeving

            

Gedragscode Bestuur en Personeel

Voor deze verordening versie is geen samenvatting ingevoerd.

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie Gemeente Oldebroek
Vastgesteld door gemeenteraad
Officiële naam van de regeling Gedragscode voor bestuur en personeel van de gemeente Oldebroek
Citeertitel van de regeling Gedragscode bestuur en personeel
Onderwerp personeel en organisatie
Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) Geen.
Opmerkingen m.b.t. de regeling Geen.
Betreft (aard van de wijziging) nieuwe regeling
Datum uitwerkingtreding 09-01-2015
Datum inwerkingtreding 18-12-2001
Terugwerkende kracht (t/m)
Datum ondertekening 18-12-2001
Bron bekendmaking Geen.
Kenmerk voorstel Overige regelingen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Datum uitwerkingtreding Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
18-12-2001 09-01-2015 nieuwe regeling 18-12-2001
Geen.
Overige regelingen.

Gedragscode voor bestuur en personeel van de gemeente Oldebroek.

1. Inleiding.

Het onderwerp integriteit heeft in het openbaar bestuur al een aantal jaren extra aandacht. De oorzaak vloeit voort uit een veranderde taakopvatting met de daarbij behorende normen en waarden. Die nieuwe normen en waarden brengen evenwel een onduidelijkheid met zich mee: waar mogen of moeten die toepassing vinden en waar niet. Bij niet elke taakuitoefening door de overheid zijn bijvoorbeeld creativiteit, risico=s nemen en kennis te gelde maken op hun plaats. Uit alle achter ons liggende discussies is duidelijk geworden, dat een bestuurder of ambtenaar, die fraudeert, onbetrouwbaar handelt of ondoordacht bezig is niet alleen zichzelf in opspraak brengt, maar ook een smet werpt op de organisatie, waarvan hij deeluitmaakt.

Het gemeentebestuur heeft dan ook in het beleidsprogramma 1998-2002 opgenomen, dat er een ethische (gedrags-)code wordt ontwikkeld.

2. Het doel van een gedragscode.

Het doel van de gedragscode is primair gemeentelijke bestuurders - raadsleden en collegeleden - en ambtenaren een houvast, een norm te bieden voor gewenst gedrag bij maatschappelijke contacten die de integriteit van het bestuur in gevaar kunnen brengen. Daarnaast wordt door het maken van gezamenlijke afspraken het probleem van bestuurlijke integriteit bespreekbaar en hanteerbaar. Verder wordt een signaal naar de samenleving afgegeven dat in Oldebroek richtlijnen bestaan waaraan het gedrag van bestuurders en ambtenaren getoetst kan worden. Het gaat er om, dat bestuurders en ambtenaren in hun werk steeds vanuit de juiste houding handelen. Dat men steeds bij zichzelf te rade gaat of men openbaar kan verantwoorden dat men iets doet of nalaat. Dat men kan verantwoorden dat men onafhankelijk is, ook in een tijd dat normen aan slijtage onderhevig zijn en sommigen agressief lobbyen. Bestuurders en ambtenaren dienen zich te realiseren, dat ze er op aangesproken worden zich integer en verantwoordelijk te gedragen, dat ze het goede voorbeeld moeten geven. Dit behoort een grondhouding van het bestuur en het ambtelijk apparaat te zijn.

Bestuurders en ambtenaren dienen daarom oog te hebben voor bestuurlijke morali­teit. Een moraliteit die slechts beperkt afdwingbaar is door regelgeving, maar die vooral gebaseerd is op vrijwilligheid (cultuur), omdat men zich bewust is van de bijzondere positie van de politieke ambtsdrager en de ambtenaar binnen ons bestuurssyteem en de daarbij behorende verantwoordelijkheid voor de beeldvorming van het openbaar bestuur.

3. Maatschappelijke ontwikkelingen.

Aandacht voor bestuurlijke integriteit is niet nieuw. Zo is al in het begin van de vijftiger jaren aan het begrip behoorlijk bestuur inhoud gegeven met de formule­ring van een vijftal beginselen van ethische tendensen. Het zijn beginselen van fair play, zorgvuldigheid, zuiverheid van oogmerk, evenwichtigheid en rechtszekerheid.

Onder meer op basis van deze beginselen kunnen uit de bestaande jurisprudentie de volgende algemeen erkende beginselen van behoorlijk bestuur worden ontleend:

  • geen gebruik maken van een bevoegdheid voor een ander doel dan waarvoor zij is         gegeven (detournement de pouvoir);

  • evenwichtige afweging van belangen;

  • rechtsgelijkheid (gelijke monniken, gelijke kappen);

  • zorgvuldigheid bij de voorbereiding en de uitvoering;

  • het bestuursbesluit moet worden gemotiveerd;

  • rechtszekerheid;

  • fair play (voorkomen van kwade trouw, geen gebruik maken van voorkennis of         voorkeursbehandeling verlangen).

Maar hiermee is nog niet alles gezegd. De versterkte aandacht voor de bestuurlijke integriteit wordt vooral ingegeven door de veranderende rol van de overheid en de veranderende omgeving van het lokaal bestuur.

De overheid heeft veel meer taken gekregen, maar ook steeds meer wint de gedachte erkenning dat de overheid niet alles zelf kan regelen. Het lokaal bestuur heeft daarbij wisselende rollen gekregen. Naast de bestaande rol van het regelen en verzorgen zijn daaraan toegevoegd de rollen van regisseur, initiator en partner met betrekking tot sociale en maatschappelijke processen. Burgers zijn mondig. De samenleving is fragmentarischer geworden en er zijn grotere regionale verbanden.

Het openbaar bestuur werkt intensiever samen met partners in het maatschappelijk veld. Dat vergt een andere oriëntatie op de eigen positie van bestuurders en ambtena­ren. De overheid wordt gedwongen bedrijfsmatiger te werken. Daarmee is tegelijker­tijd een paradox geschapen. De overheid moet partner in de markt zijn, maar is gelijktijdig handhaver van normen en waarden.

Daarbij is het bedrijfsleven (zoals ook andere maatschappelijke partners) sterk af­hankelijk van het openbaar bestuur. De belangen die daarbij in het spel zijn worden steeds professioneler onder de aandacht van de bestuurder en de ambtenaar gebracht. Permanente waakzaamheid en aandacht voor de integriteit van het bestuurlijk en ambtelijk handelen is dan ook in toenemende mate noodzakelijk.

4. Bestaande regelgeving (wettelijk kader, Ambtenarenwet, Arbeidsvoorwaardenrege­ling).

Een aantal gedragsregels is al geregeld in wetten en voorschriften. Deze regels zijn algemeen en volgen uit het volgende:

4.1     Nederland is een rechtstaat, waarin veel is geregeld over het maatschappelijk verkeer. Bestuurders en ambtenaren behoren zich, net als alle andere burgers, aan de      wet te houden. De overheid dient zich niet alleen aan de wet te houden maar dient      bij toepassing en naleving van wettelijke bepalingen het voorbeeld te geven.

4.2      Strafrechtelijke zaken (frauderen, valsheid in geschrifte, etc.). De overheid en de bestuurders en ambtenaren zijn strikt gehouden aan de regels van het recht (zie sub 5.1 tot en met 5.7).

5. Regelingen gebaseerd op bestaande wetgeving, arbeidsvoorwaarden, etc.

5.1 Loyaliteit van ambtenaren in houding en handelen.

Op grond van artikel 15:1:1 van de Arbeidsvoorwaardenregeling (A.V.R.O.) is de ambtenaar gehouden zijn betrekking nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Deze bepaling biedt in principe aanknopingspunten om loyaliteit ten opzichte van het algemeen belang en integriteit van houding en handelen af te dwingen

5.2 Afleggen eed of belofte (door ambtenaren).

Artikel 15:1:2 van de A.V.R.O. bepaalt, dat de ambtenaar verplicht is de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij instructie of bij besluit van burgemeester en wethouders is voorgeschreven. Van de mogelijkheid voor burgemeester en wethou­ders om de eed of de belofte te doen afleggen wordt in het algemeen spaarzaam gebruikgemaakt. In het licht van de integriteitsdiscussie kan het evenwel zo zijn dat de betekenis van het afleggen van de eed of de belofte voor vitale en risico-opleve­rende functies weer toeneemt. Een inventarisatie van dergelijke functies en de afwe­ging om de ambtseed of -belofte voor die categorie te (her)overwegen is op zijn minst wenselijk.

5.3 Gunsten, activiteiten ten eigen bate, misbruik van (voor)kennis (ambtenaren).

Artikel 15:1:3 van de A.V.R.O. verbiedt de ambtenaar ten eigen bate gemeentelijke diensten te laten verrichten, gemeentelijke eigendommen privé te gebruiken en ten eigen bate gebruik te maken van kennis waarover hij ambtshalve beschikt.

Het is algemeen bekend dat in de organisatie voor privé-doeleinden gebruik wordt gemaakt van faciliteiten van de gemeente, zoals het voeren van privé-telefoongesprekken, privé-documenten kopiëren, gemeentelijke eigendommen thuis gebruiken, etc.

Een structureel gebruik door een en dezelfde persoon is onwenselijk.

Incidenteel gebruik van bijvoorbeeld de telefoon kan worden toegestaan indien het telefoongesprek niet kan plaatsvinden buiten de reguliere werktijden. Dit beperkt gebruik geldt ook voor de internet- en e-amailfaciliteit

Uitgangspunt moet zijn dat er geen gemeenschapsgeld wordt gebruikt voor privé-doeleinden.

Het maken van fotokopieën is toegestaan indien er sprake is van een beperkt aantal van maximaal 25 kopieën per jaar.

Tegen het gebruik van gemeentelijke voertuigen bestaan bedenkingen, maar in bijzondere gevallen kan na betaling van gemaakte kosten en na verkregen toestemming van deze regel worden afgeweken. Schijn van misbruik moet worden vermeden, mede gelet op de publieke uitstraling

Regels, zoals die gelden voor privé-telefoongesprekken, zijn onverkort van toepassing op het gebruik van de gemeentelijke e-mail faciliteiten.

Tevens wordt in het e-mail protocol de grondwettelijke privacybescherming van het privé-gebruik van de gemeentelijke e-mail faciliteiten in relatie tot inbreuk op die bescherming beschreven en het bestaan van die mogelijkheid met de randvoorwaarden toegelicht.

5.4. Aannemen van giften en steekpenningen.

Het bepaalde in artikel 15:1:4 van de A.V.R.O. verbiedt de ambtenaar:

  1. a.in verband met zijn betrekking vergoeding, beloningen, giften of beloften van der        den te vorderen, te verzoeken of aan te nemen, anders dan met toestemming van burgemeester en wethouders;

  2. b.steekpenningen aan te nemen.

Het artikel verbiedt de ambtenaar giften aan te nemen zonder toestemming van het gemeentebestuur, maar, voorzover bekend is geen van de gemeenten zo strak in de leer, dat daarop geen uitzondering is te bedenken. Daarom is het bij het in ontvangst nemen van giften niet altijd zonneklaar wanneer sprake is van strijdigheid met inte­ger handelen. Bij steekpenningen is er geen twijfel, maar bij het aanvaarden van een relatiegeschenk van een vaste leverancier is dat niet altijd duidelijk. Het gaat dan vaak om toepassing van ongeschreven regels. Dat geldt ook voor onze organisatie. Om misverstand en misbruik te voorkomen is eenduidige regelgeving noodzakelijk.

Onaanvaardbaar is als tijdens onderhandelingen over mogelijke opdrach­ten geschenken of steekpenningen van leveranciers worden aangenomen. Daaronder kunnen ook worden begrepen het aannemen van uitnodigingen voor reizen of het accepteren van etentjes. Een aanbod van een fabrikant of een adviesbureau om bijvoorbeeld een bepaald technisch object te bezichtigen kan worden aanvaard als het bedoelde bezoek als doel heeft de kennisvermeerdering van de desbetreffende medewerk(sters). De keuzevrijheid van de gemeente inzake de opdrachtverstrekking zal niettemin overeind blijven. Een aanbod voor de bezichtiging van een object, etc. wordt pas na instemming van de leidinggevende aanvaard.

Los van een specifieke zakelijke transactie zijn niet te kostbare relatiegeschenken met een waarde van ten hoogste / 50,00 acceptabel, mits daarover openheid wordt betracht ten opzichte van de leiding en collega’s.

5.5 Nevenfuncties (van ambtenaren en bestuurders).

Artikel 125, lid 2, van de Ambtenarenwet schrijft voor, dat het bevoegd gezag van  de gemeente voor zijn ambtenaren voorschriften over nevenwerkzaamheden vaststelt. Voor onze gemeente is dat geregeld in artikel 15:1:6 van de A­.V.R.O. In dat artikel is bepaald dat het de ambtenaar verboden is nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van de functie of de goede functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Van nevenwerkzaamheden die de belangen van de dienst kunnen raken moet betrokkene opgave doen aan burgemeester en wethouders. Van de opgaven wordt een registratie gevoerd.

Raadsleden zijn gehouden al hun andere functies openbaar te maken door een opgave daarvan ter inzage te leggen op het gemeentehuis (artikel 12 Gemeentewet). Voor hen gelden enkele specifieke verbodsbepalingen, die nagenoeg allemaal gaan over het uitsluiten van een gezagsrelatie of een zakelijke relatie tussen betrokkene en de gemeente. Daaronder valt het onthouden van deelname aan stemmingen in gevallen waarin van een belangenverstrengeling sprake zou kunnen zijn. Ook zijn bepaalde werkzaamheden, zoals het aannemen van werk, het buiten dienstbetrekking tegen beloning werken voor de gemeente en het doen van leveranties aan de gemeente overeenkomstig artikel 15 van de Gemeentewet onver­enigbaar met het raadslidmaatschap (en wethouderschap). Deze bepaling is ook van toepassing op de burgemeester (artikel 69 Gemeentewet) en de gemeentesecretaris (artikel 102 Gemeentewet). Wethouders is tevens verboden bepaalde toezichthouden­de of adviserende functies te vervullen (artikel 45 Gemeentewet).

Het raadslidmaatschap is evenwel een deeltijd functie en de andere functie van een raadslid zoals die worden bedoeld in artikel 12 Gemeentewet, wordt in de regel voltijds uitgevoerd. In hoeverre die andere functie een belemmering vormt voor een goede vervulling van het raadslidmaatschap is een vraag, die in eerste instantie bij de kandidaatsstelling van betrokkene dient te worden beantwoord.

Door de openbaarmaking is steeds de mogelijkheid van toetsing aanwezig. Het voorkomen van belangenverstrengeling lijkt hiermee in voldoende mate verzekerd.

Waar het gaat om de andere functies verkeert de burgemeester ten opzichte van de raadsleden in een omgekeerde situatie. In het geval dat daarvan sprake is betreft dit een functie die als nevenfunctie in deeltijd wordt vervuld. Voor zo'n nevenfunctie gelden dan ook bijzondere bepalingen. Voor de burgemeester geldt dat hij geen nevenfunctie vervult, waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op de goede vervulling van zijn burgemeestersambt of op de handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin (artikel 67, lid 1 Gemeentewet). Ook kan hij, met uitzondering van ambtenaar van de burgerlijke stand geen ambte­naar of raadslid in zijn gemeente zijn (artikel 68 Gemeentewet). De burgemeester meldt zijn voornemen tot aanvaarding van een nevenfunctie aan de raad en maakt het vervullen van die functie openbaar. Deze verplichting geldt echter niet voor een nevenfunctie, die de burgemeester uit hoofde van zijn burgemeestersambt vervult (artikel 67, lid 2 en 3 Gemeentewet). Er is echter bepaald dat uit die functie geen vergoedingen genoten mogen worden en als die wel worden uitgekeerd, dient het ontvangen bedrag in de gemeentekas te worden gestort (artikel 66, lid 4 Gemeente­wet). Uit een oogpunt van duidelijkheid en controle is het gewenst ook deze neven-functies eveneens te melden aan de raad en openbaar te maken.

De kernbepalingen om te voorkomen dat de belangen van de gemeente enerzijds en de persoonlijke belangen van de burgemeester anderzijds verstrengeld raken is opgenomen in artikel 67, lid 1 Gemeentewet: geen nevenfuncties, waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op de goede vervulling van zijn burgemeesters­ambt of de handhaving van zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid of het vertrouwen daarin.

5.6 Omkoping (van bestuurder of ambtenaren).

Omkoping en het accepteren van smeergeld, waaronder eveneens zijn begrepen het accepteren van cadeaus die worden gegeven om de besluitvorming te beïnvloeden, zijn verboden. Wordt men in deze zin benaderd, dan moet het college van burge­meester en wethouders onmiddellijk worden geïnformeerd.

Bestuurders en ambtenaren zijn overigens in algemene zin (wettelijk) verplicht aangifte te doen van strafrechtelijke delicten.

5.7 Toezeggingen/aansprakelijkheid/dienen van het algemeen belang.

Van toepassing op bestuurders.

In contacten met burgers over onderwerpen waarover nog niet definitief is besloten dient men steeds de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen om ongefundeerde verwachtingen bij burgers en het indienen van schadeclaims bij de gemeente te vermijden.

In het algemeen geldt dat bestuurders het algemeen welzijn van de burgers in het oog  houden en niet (uitsluitend) de belangen van groepen of individuen moeten dienen. In dit verband wordt gerefereerd aan de eed of belofte dat geen geschenken of beloften zullen worden aangenomen om in het ambt iets te doen of te laten.

5.8 Omgaan met vertrouwelijke gegevens (door ambtenaren).

Met vertrouwelijke gegevens wordt vertrouwelijk omgegaan. Voorzichtigheid wordt in acht genomen met het aan derden verstrekken van informatie, die vertrouwelijk kan zijn. De werkplekken worden zo ingericht, dat informatie (bureau, PC) zodanig wordt beheerst, dat onbevoegden er geen kennis van kunnen nemen. Privacygevoelige gegevens worden per definitie vertrouwelijk behandeld.

6. Aan- en uitbesteden.

Met aan- en uitbesteden aan derden kunnen grote financiële belangen zijn gemoeid.

Daarbij kunnen ontoelaatbare verstrengeling van privé, derden- en gemeentelijke belangen een grote rol spelen.

In zijn algemeenheid is het van belang persoonlijke relaties tussen de beslissers en derden (aanbieders van externe dienstverlening) zoveel mogelijk te vermijden.

Om vooraf duidelijkheid te verschaffen in werkwijzen is het van belang om een procedure rondom aan- en uitbesteden zorgvuldig vast te leggen. Wordt van die procedure afgeweken, dan verdient het aanbeveling dat met redenen omkleed te laten plaatsvinden.

Waar mogelijk moet scheiding worden aangebracht in de planvoorbereiding en het toezicht op de uitvoering van het plan. Hoe kleiner de organisatie, hoe moeilijker dat praktisch uitvoerbaar zal zijn. Het streven er naar zal toch uitgangspunt moeten blijven.

 

Onderhandeling en besluitvorming dienen zo mogelijk qua functiescheiding uit elkaar te worden gehaald. In dat kader verdient het aanbeveling de mandateringslijst eventu­eel te herijken.

Opdrachten aan derden dienen schriftelijk te worden vastgelegd (offertes, opdracht­bon, etc.).

De uiteindelijke keuze voor een bedrijf moet o.a. gebaseerd zijn op de verhouding van kosten, kwaliteit, betrouwbaarheid en continuïteit.

Afhankelijk van de zaak zal dat leiden tot de keuze voor enkelvoudig of meervoudig onderhandse aan- en uitbesteding.

Gestreefd dient te worden naar een roulatiesysteem onder de uit te nodigen aanne­mers.

7. Inkoop van goederen.

Zij die zijn belast met de inkoop van goederen voor de gemeente staan bloot aan allerlei verleidelijke acties van verkooporganisaties. Zij zullen met name bedacht moeten zijn op zorgvuldigheid van handelen.

De inkoper mag nooit geschenken of kortingen voor aankoop van privé-goederen aanvaarden van leveranciers, als het geschenk of de korting wordt gegeven om zijn positie bij de gemeente.

Pogingen tot ontoelaatbare beïnvloeding van inkopers door leveranciers moeten altijd worden gemeld bij de sectordirecteur en kunnen leiden tot verbreking van de relatie.

Een inkoper moet zich in zijn inkoopgedrag alleen laten leiden door professionele standaard rond kosten, kwaliteit, flexibiliteit en leveringsvoorwaarden.

Inkoopopdrachten mogen alleen worden gegeven wanneer deze schriftelijk zijn vastgesteld (offertes, opdrachtbon, etc.).

Daarnaast moeten bestaande relaties met een zekere regelmaat worden bekeken op grond van prijs- en kwaliteitsverhouding.

8. Vergunningverlening.

De gemeente heeft een monopoliepositie als het gaat om het verlenen van vergun­ningen, ontheffingen, etc. Noodzakelijk is het daarom dat er heldere procedures en spelregels zijn. Ook is het belangrijk dat het gedrag van de betrokken ambtenaar correct is en dat de behandeling zich in alle openheid afspeelt.

De besluitvorming behoort objectief en zorgvuldig te zijn.  Misbruik van bevoegdhe­den en machtspositie moet zijn uitgesloten.

9. Accordering van declaraties, etc.

In alle gevallen dient het te declareren bedrag te worden gespecificeerd op een declaratie, ondertekend door de betrokkene en zijn superieur. Voor het bestuur kan worden overwogen een medebewindvoerder voor gezien te laten tekenen door bij­voorbeeld de burgemeester de declaraties van de wethouders en raadsleden en die van de burgemeester door de loco-burgemeester te laten tekenen. Ook kan de burge­meester de declaraties van de secretaris tekenen.

Stringente toepassing van de regels, correcte verwerking en afdoende controles zijn noodzakelijk. Daardoor kunnen vergissingen en slordigheden worden voorkomen en kan worden vermeden dat geruchten van fraude ontstaan, ook al is daarvan in het geheel geen sprake.

10. Manipulatie van informatie.

Van toepassing op bestuurder en ambtenaren.

Informatie wordt op een zodanige wijze gehanteerd, dat eerlijk en integer met informatie wordt omgegaan, zoals dat van een overheid mag worden verwacht, en niet het persoonlijk belang of dat van de organisatie wordt gediend.

11. Beheer van elektronisch vastgelegde bestanden.

In onze organisatie is informatie in allerlei elektronische bestanden vastgelegd en geregistreerd. De systemen waarin deze gegevens zijn vastgelegd, worden beheerd door de afdeling PMZ-FZ (automatisering). Om te voldoen aan het grondwettelijke recht op privacy nemen de systeembeheerders uitsluitend kennis van informatie die is vastgelegd in de door hen beheerde systemen, nadat zij daartoe uitdrukkelijk opdracht hebben gekregen van de gemeentesecretaris.

12. Vertrouwenspersoon.

Van iedere medewerker mag worden verwacht dat hij schending of het vermoeden van schending van de gedragscode rapporteert. Dat melden moet worden gezien als een positieve impuls aan de integriteit van de overheid. Het risico is echter aanwezig dat melden van mogelijke schendingen als het verlinken van een collega wordt gezien met alle gevolgen van dien. Dit risico is ook in het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA) onderkend. Daarom is er, vooruitlopend op nieuwe wetgeving, tijdens de laatste CAO-onderhandelingen overeengekomen aan de arbeidsvoorwaarden een regeling toe te voegen, waarin wordt vastgelegd ambtenaren, die misstanden aan de orde stellen te beschermen tegen ontslag of andere wijze van benadeling; ook zijn afspraken gemaakt over het instituut vertrouwenspersoon. De bedoelde regeling, die de naam van "klokkenluidersregeling" heeft meegekregen moet per 1 januari 2002 zijn vastgesteld. Met de klokkenluidersregeling wordt naast de ontslagbescherming, etc. ook  beoogd de drempel voor medewerkers om schendingen of vermoeden er van te melden zo laag mogelijk te maken. De bedoelde regeling is gelijktijdig met de 15e wijziging van de Arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Oldebroek vastgesteld.

 

Aldus gewaarmerkt door de secretaris van de gemeente Oldebroek

als behorend bij het raadsbesluit van 18 december 2001