Disclaimer

De informatie in dit onderdeel vormt geen bekendmaking in de zin van de Gemeentewet of de Algemene wet bestuursrecht. Alleen publicatie in Huis aan Huis, onder de kop Gemeentenieuws Oldebroek, heeft een officieel karakter.

U vindt onderstaand de geldende Algemeen Verbindende Voorschriften (verordeningen) en beleidsregels van de gemeente Oldebroek. In het onderdeel 'Concept regelgeving' vindt u de nog niet vastgestelde versies. Deze concept versies worden gebruikt tijdens de besluitvorming en hebben uitsluitend een informatief doel.

Zoeken in regelgeving

            

Financiële verordening

Voor deze verordening versie is geen samenvatting ingevoerd.

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie Gemeente Oldebroek
Vastgesteld door gemeenteraad
Officiële naam van de regeling Financiële verordening 2017
Citeertitel van de regeling Financiële verordening 2017
Onderwerp financiën en economie
Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) Geen.
Opmerkingen m.b.t. de regeling Geen.
Betreft (aard van de wijziging) wijziging
Datum uitwerkingtreding
Datum inwerkingtreding 01-01-2017
Terugwerkende kracht (t/m)
Datum ondertekening 15-12-2016
Bron bekendmaking Gemeenteblad, 28-12-2016.
Kenmerk voorstel 262985.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Gemeentewet, art. 212

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Datum uitwerkingtreding Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
01-01-2017 wijziging 15-12-2016
Gemeenteblad, 28-12-2016.
262985.
01-01-2016 01-01-2016 01-01-2017 nieuwe regeling 15-12-2016
Gemeenteblad, 28-12-2016.
262949
01-01-2013 01-01-2013 01-01-2015 wijziging 31-01-2013
Huis-aan-huis, 12-03-2013.
Geen.
01-01-2011 01-01-2011 01-01-2013 wijziging 13-12-2011
Huis-aan-huis, 10-07-2012.
Geen.
01-01-2007 01-01-2007 01-01-2011 nieuwe regeling 20-11-2007
Huis-aan-huis, 4-12-2007.
AVV+NK

Nr. 262985

 

 

De raad van de gemeente Oldebroek;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 1 november 2016;

 

gelet op artikel 212 van de Gemeentewet,

 

B E S L U I T:

 

vast te stellen de: 'financiële verordening'.

 

 

1. Inleidende bepalingen

 

Artikel 1. Definities

administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie voor het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie.

rechtmatigheid: het in overeenstemming zijn met geldende wet- en regelgeving, waaronder gemeentelijke verordeningen en raadsbesluiten.

doelmatigheid: het realiseren van bepaalde prestaties met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen.

doeltreffendheid: de mate waarin de beoogde maatschappelijk effecten van het beleid ook daadwerkelijk worden behaald.

product: een samenhangend geheel van goederen, diensten, activiteiten en voorzieningen, dat bijdraagt aan het realiseren van een programma, meetbaar gemaakt in tijd, geld, kwantiteit en kwaliteit.

budget: de middelen die via de programmabegroting en productenraming zijn toegekend voor het realiseren van een samenhangend geheel van doelstellingen, resultaat- en prestatie afspraken.

budgethouder: de medewerker die, in de door het college vastgestelde productenraming, voor het betreffende product dan wel investeringskrediet als zodanig is aangewezen.

deelbudgethouder: de door de budgethouder als zodanig aangewezen medewerker.

garantie: een financieringsinstrument, waarbij de gemeente zich tegenover een geldverstrekker verplicht in te staan voor de betalingsverplichtingen van een derde, waardoor deze geldverstrekker bereid is een lening te verstrekken of om een lening tegen gunstiger condities te verstrekken.

regresvordering: recht van verhaal op een derde wegens een bepaalde vordering.

beheerplan: een planmatige opzet voor het beheer van de eigendommen van de gemeente, waarbij het groot onderhoud en de (vervanging-)investeringen worden gefinancierd vanuit voorzieningen of reserves.

 

2. Begroting en verantwoording

Artikel 2. Programma's

De raad stelt de programma-indeling vast.

De raad stelt per programma vast:

de beoogde maatschappelijke effecten: wat willen we bereiken?

de te leveren producten: wat gaan we daarvoor doen?

de baten en lasten: wat mag het kosten en wat zijn de opbrengsten?

De raad stelt op voorstel van het college per programma de beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten

Het college zorgt voor het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde producten voor de uitvoering van de programma's en de maatschappelijke effecten daarvan, zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid kan worden getoetst.

 

Artikel 3. Paragrafen

De raad kan, aanvullend op wat in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten verplicht is gesteld, beheersmatige onderwerpen vaststellen die in de paragrafen worden behandeld.

De raad kan het college verzoeken het beleid over een paragraaf of onderdeel daarvan uiteen te zetten in een afzonderlijke beleidsnota.

 

Artikel 4. Financiële begroting

Het college zorgt dat de baten en lasten van al het beleid waartoe het gemeentebestuur heeft besloten in de financiële begroting zijn opgenomen.

Bij de uiteenzetting van de financiële positie in begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie.

De programma’s, het onderdeel algemene dekkingsmiddelen en de financiële begroting per taakveld geven inzicht in de financiële gevolgen van het beleid voor de drie jaren volgend op het begrotingsjaar.

De raad autoriseert met het vaststellen van de financiële begroting de daarin opgenomen investeringskredieten en de mutaties in de reserves en voorzieningen.

 

Artikel 5. Planning en controlcyclus

Na overleg met de griffie stelt het college jaarlijks de planning vast van de volgende aan de raad aan te bieden onderwerpen: de programmabegroting met meerjarenraming, de kaders voor de meerjarenprogrammabegroting (MJPB), de tussentijdse rapportage, het jaarverslag en de jaarrekening.

 

Artikel 6. Autorisatie begroting, kredieten en begrotingswijzigingen

De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma, het hoofdstuk algemene dekkingsmiddelen en een bedrag voor de post onvoorzien.

De raad autoriseert de kredieten voor te plegen investeringen. Dit kan plaatsvinden bij de begrotingsbehandeling of door middel van tussentijds kredietaanvragen.

Het college informeert de raad als ze verwacht, dat de lasten van een programma de geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden, de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet dreigen te overschrijden, of de baten van een programma de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden.

Naar aanleiding van tussentijdse rapportage over de uitvoering van de begroting en de aanwending van de post onvoorzien doet het college voorstellen voor wijziging van de geautoriseerde budgetten.

Voor wijzigingen binnen het programma wordt een administratieve wijziging gemaakt die door het college wordt vastgesteld. Ambtelijke wijzigingen betreffen begrotingsaanpassingen die binnen de bevoegdheid van een individuele budgethouder plaats kunnen vinden.

Artikel 7. Tussentijdse rapportage

Het college informeert de raad door middel van twee tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente over het lopende boekjaar.

De tussentijdse rapportage geeft een uiteenzetting over de uitvoering en gewenste bijstelling van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming van:  

de baten en lasten per programma uitgesplitst naar taakvelden/product;

het overzicht van de overhead en de geraamde vennootschapsbelasting;

de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves per programma;

en de post onvoorzien.

De inrichting van de tussentijdse rapportages sluit aan bij de indeling van de programmabegroting.

In de tussentijdse rapportages worden afwijkingen op de ramingen, van de baten en lasten, van taakvelden/producten en investeringskredieten per programma toegelicht, waarbij de minimaal te rapporteren afwijking per programma overeenkomt met de goedkeuringstoleranties die de raad vaststelt in het controleprotocol.

 

Artikel 8. Jaarstukken

Het college legt in het jaarverslag verantwoording af over de realisering van de begroting en investeringskredieten. In de verantwoording geeft het college per programma uitgesplitst naar taakvelden/producten aan:

wat is bereikt;

welke producten zijn geleverd: wat is gedaan

wat de lasten en de baten zijn.

De inrichting van de Jaarverslag sluit aan bij de indeling van de programmabegroting.

 

 

3. Financieel beleid

Artikel 9. Waardering & afschrijving vaste activa

Activeren

1. Investeringen in infrastructurele werken in de openbare ruimte, zoals wegen, pleinen, bruggen, viaducten en parken worden geactiveerd en afgeschreven.

2. Kosten van onderzoek en ontwikkeling worden in maximaal 5 jaar afgeschreven.

3. Bijdragen aan activa in eigendom van derden worden bij voorkeur ineens afgeschreven. Indien bijdragen van derden worden geactiveerd gebeurt  dit op basis van een raadsbesluit.

4. Het minimumbedrag voor het activeren van een investering is € 10.000, -.

5. De kosten van het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio worden direct ten gunste of ten laste van het resultaat gebracht in het jaar van het afsluiten van de geldlening.

 

Waarderen

6. Bijdragen van derden worden direct in mindering gebracht op zowel investeringen met economisch nut als op investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut.

 

Afschrijven

7. Met het afschrijven wordt begonnen in het jaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed is gekomen of is verworven en in gebruik genomen.

8. Op de waarde van gronden wordt niet afgeschreven. Een uitzondering hierop is de waarde van gronden van begraafplaatsen.

9. Bij het bepalen van de hoogte van de afschrijvingen wordt geen rekening gehouden met een eventuele restwaarde van het nieuwe actief.

10. Geactiveerde kosten worden lineair afgeschreven.

11. Bij (vervangingen van) investeringen met een economisch nut wordt waar mogelijk de componentenbenadering toegepast. Dit houdt in dat verschillende samenstellende delen van een actief afzonderlijk worden afgeschreven op basis van het individuele waardeverloop van de delen.

12. Afschrijvingstermijnen van vaste activa zijn als volgt:

Gebouwen:

Nieuw (ge)bouw                                                                             40 jaar

Terreinen                                                                                           40 jaar

Gevels                                                                                                 15 jaar

Daken                                                                                                  20 jaar

Interieur                                                                                             15 jaar

Inventaris – niet gemeentehuis                                               10 jaar

Installaties/ installaties zwembad                                            15 jaar/ 20 jaar

Afvalwater (riolering):

Vervanging/renovatie/relinen riool                                        70 jaar

Vervanging/renovatie bouwkundige deel

gemalen en pompunits                                                                30 jaar

Vervanging/renovatie electrisch/mechanisch                    15 jaar

Vervanging/renovatie IBA’s                                                       15 jaar

Begraven:

Grafliften, grafbekisting, looproosters en

Materiaalwagens                                                                            20 jaar

Inventaris Gemeentehuis                                                             7 jaar

ICT middelen

Laptops/smartphones                                                                     3 jaar

Thin Clients en Servers                                                                    5 jaar

13. Afwijken van de bovenstaande afschrijvingstermijn kan alleen met instemming van de raad.

14. Een krediet dat is verleend voor de oprichting en/of financiering van vaste activa kan maximaal twee maal worden doorgeschoven als niet is overgegaan tot de investering/activering. Dit vindt plaats bij de behandeling van het jaarverslag door de raad waarbij het doorschuiven wordt toegelicht.

 

Artikel 10. Reserves en voorzieningen

1. In de begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de taakvelden/producten plaats.

2. Het college biedt bij de begroting en de jaarrekening een overzicht aan van de stand en de te verwachten ontwikkelingen van de reserves en voorzieningen.

3. De reserves en voorzieningen worden gerubriceerd naar de volgende onderdelen:

a. reserves:

o algemene reserve (AR)

o bestemmingsreserves voor egalisatie van tarieven

o overige bestemmingsreserves

b. voorzieningen:

o verplichtingen met onzekere omvang

o verplichtingen waarvan de omvang is in te schatten

o voorzieningen met een egalisatiefunctie;

c. reserves van het grondbedrijf:

o Reserve Algemeen Grondbedrijf (RAG).

4. Bij het instellen van een reserve of voorziening wordt tenminste de ontstaansreden, de

gewenste omvang (boven- en ondergrens), de reden van toevoegingen en onttrekkingen aan de reserve of voorziening en de reden van opheffing aangegeven.

5. Na realisatie van de bestemming wordt de reserve / voorziening opgeheven. Restant saldi worden middels het resultaat van het betreffende boekjaar toegevoegd aan de algemene reserve.

6. Reserves en voorzieningen mogen geen negatief saldo hebben. Bij het opstellen van de jaarrekening worden negatieve saldi aangevuld vanuit de algemene reserve. Bij de volgende jaarrekening(en) wordt het bedrag van het negatieve saldo uit een voorgaand jaar vanuit de betreffende reserve / voorziening teruggestort/toegevoegd aan de algemene reserve.

7. Een voorstel voor beleid ten aanzien van reserves en voorzieningen wordt eenmaal in de vier jaar aan de raad aangeboden. Jaarlijks in de jaarrekening wordt de raad geïnformeerd over de uitvoering van dat beleid.

8. In de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen informeert het College de Raad over de geraamde investeringen en de gerealiseerde investeringen van de beheerplannen.

 

Artikel 11. Kostprijsberekening

Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.

Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.

Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend aan die activiteiten.  

Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend.

Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt uitgegaan van een aandeel in de totale overheadkosten ter grootte van de geraamde directe kosten van de economische categorieën. De verdeling programma overhead geschiedt op basis van de productieve uren in de programma’s.

Gemeente Oldebroek hanteert voor de rentetoerekening een vaste rekenrente met uitzondering van het Grondbedrijf. De rekenrente wordt in de begroting vastgelegd.

 

 

Artikel 12. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

1. Het college doet de raad jaarlijks een voorstel over de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor belastingen en heffingen.

2. Het college biedt de raad tweejaarlijks, of eerder als daartoe aanleiding is, een voorstel aan voor de prijzen voor de verhuur en verkoop van onroerende goederen en de prijzen voor de uitgifte van gronden en erfpachtcanons.

 

Artikel 13. Voorziening voor oninbare vorderingen

Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen ouder dan drie maanden.

 

Artikel 14. Financieringsfunctie

Het college draagt bij de uitoefening van de financieringsfunctie zorg voor:

het aantrekken van voldoende financiële middelen en het uitzetten van overtollige gelden om de programma’s binnen de door de raad vastgestelde kaders van de begroting uit te kunnen voeren;

het afstemmen van nieuwe leningen/uitzettingen op de bestaande financiële positie en de liquiditeitenplanning;

het beheersen van de risico’s verbonden aan de financieringsfunctie zoals renterisico’s, koersrisico’s, kredietrisico’s en liquiditeitenrisico’s;

het zo veel mogelijk beperken van de kosten van de leningen en het bereiken van een voldoende rendement op de uitzettingen;

het beperken van de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities.

Het college neemt bij de uitvoering van de financieringsfunctie de volgende richtlijnen in acht:

het uitzetten van overtollige geldmiddelen gebeurt uitsluitend bij financiële ondernemingen die gevestigd zijn in landen behorende tot de Europese Economische Ruimte. Zowel de financiële onderneming als het land behorende tot de EER dient tenminste te beschikken over een AA-rating afgegeven door tenminste twee ratingbureaus

overtollige geldmiddelen worden op zodanige manier uitgezet dat de hoofdsom tenminste aan het eind van de looptijd in tact is;

voor het aantrekken van financieringen voor langer dan 1 jaar worden tenminste 2 prijsopgaven bij verschillende financiële ondernemingen gevraagd;

overeenkomsten voor het aangaan van leningen, het uitzetten van middelen of het verlenen van garanties luiden in euro’s;

voor de kasgeldlimiet en de renterisiconorm gelden de wettelijke waarden, die op grond van de Wet financiering decentrale overheden niet mogen worden overschreden. Het college informeert de raad indien de kasgeldlimiet of de renterisiconorm (dreigt te) worden overschreden.

Verstrekken van leningen en garanties en het aangaan van financiële participaties anders dan genoemd in het tweede lid worden uitsluitend gedaan uit hoofde van de publieke taak aan door de raad goedgekeurde derde partijen. Het college motiveert in zijn besluit het openbaar belang van het verstrekken van leningen en garanties en het aangaan van financiële participaties en hoort de raad alvorens hij hierover definitief een besluit.

Bij het uitzetten van middelen, het verstrekken van leningen en garanties en het aangaan van financiële participaties uit hoofde van de publieke taak / het algemeen maatschappelijk belang bedingt het college indien mogelijk zekerheden. Het college motiveert in zijn besluit het openbaar belang van het uitzetten van middelen, het verstrekken van leningen en  garanties en financiële participaties.

Voorwaarden om in aanmerking te komen voor garantieverstrekking zijn dat:

de activiteiten waarvoor garantie wordt gevraagd, een publiek / algemeen maatschappelijk belang dient;

aantoonbaar is dat geen financiering op de markt kan worden verkregen en gemeentegarantie strikt noodzakelijk is;

de geldnemer structureel in staat is de verschuldigde rente en aflossing te dragen;

alleen onroerende zaken voor garantie in aanmerking komen, overige bestedingsdoelen zijn uitgesloten;

de weerstandscapaciteit toereikend is om de garantie te kunnen verlenen.

Eisen te stellen aan de garantie:

Als een garantie is verstrekt, is dit alleen tot zekerstelling van de lening waarvoor de garantie is verstrekt.

In een garantie wordt geen afstand gedaan van de voorrechten die wettelijk aan een borg toekomen.

In een garantie worden geen bedingen opgenomen die de aansprakelijkheid van de gemeente verhogen of uitbreiden boven of naast de betaling van rente en aflossing.

Als de gemeente op grond van een garantie een betaling heeft verricht in de plaats van een in gebreke gebleven geldnemer, is de regresvordering in een eventueel faillissement van de geldnemer bevoorrecht op eventuele andere vorderingen die een geldverstrekker op de geldnemer heeft.

Beslissingsbevoegdheid:

Het college is bevoegd te besluiten over het verlenen, weigeren, vaststellen van de garantie, leningen en financiële participaties.

Het college kan aanvullende regels stellen bij een garantieverlening.

 

Artikel 15. Inkoop en aanbesteding

Het college zorgt voor en legt vast de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten. De regels waarborgen, dat wordt gehandeld in overeenstemming met de inkoop- en aanbestedingsregels van de Europese Unie.

 

4. Financieel beheer en interne controle

Artikel 16. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de afdelingen;

het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van activa met economisch nut, activa met maatschappelijk nut, voorraden, vorderingen, schulden, contracten, enzovoorts;

het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

het bevorderen van en het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving;

 

In de administratie worden middelen van specifieke uitkeringen (SU) verantwoord onder de overlopende passiva met in achtneming van de volgende regels:

De raad besluit tot toevoegingen en onttrekkingen aan overlopende passiva van SU-middelen door de vaststelling van de programmabegroting. Ook kan op voorstel van het college dit door apart raadsbesluit plaatsvinden;

De Raad kan de in lid f genoemde overlopende passiva instellen, opheffen en herschikken;

Bij het instellen van een overlopend passief van SU-middelen worden tenminste de ontstaansreden, de gewenste omvang (boven- en ondergrens), de reden van toevoegingen en onttrekkingen aan de overlopende passiva en de reden van opheffing aangegeven;

Vanuit het oogpunt van sturing en beheersing worden toevoegingen en onttrekkingen van SU-middelen per programma vastgesteld. De standen van de post niet bestede SU-middelen worden verantwoord op programmaniveau;

De overlopende passiva van SU-middelen worden gerubriceerd naar de volgende onderdelen:

O die binnen de systematiek van single information singel audit (SISA) worden verantwoord

O die via een aparte accountantscontrole en -verklaring worden verantwoord;

Na de definitieve beschikking en verrekening van een (jaar)bijdrage wordt een eventueel restant van het afgerekende jaar toegevoegd aan de algemene reserve. Als een specifieke uitkering niet meer op onze gemeente van toepassing is en de definitieve beschikking en verrekening van het laatste jaar is ontvangen, wordt het overlopend passief van SU-middelen opgeheven. Eventuele restant saldi worden verrekend met de algemene reserve.

 

Artikel 17. Interne controle

Het college zorgt, ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen.

 

Artikel 18. Misbruik en oneigenlijk gebruik

Het college zorgt dat misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen wordt voorkomen.

 

Artikel 19. Financiële organisatie

Het college zorgt voor en legt vast:

een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne controle wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie aan beleids- en beheersorganen is gewaarborgd;

de regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

de te maken afspraken met de algemeen directeur over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen.

de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van de lasten en baten aan de producten.

 

Artikel 20. Budgethouderschap

Verantwoordelijkheid programma's en producten

De budgethouders zijn verantwoordelijk voor de budgetbeheersing en -bewaking van de door de raad in de gemeentelijke begroting ter beschikking gestelde financiële middelen ter realisatie van de vermelde programma's. Dit is inclusief de daaruit voortvloeiende producten - zowel uitgaven als inkomsten - evenals de op de kostenplaatsen geraamde uitgaven en inkomsten.

Verantwoordelijkheid producten

De budgethouder is verantwoordelijk voor de volledige, juiste en tijdige budgetbeheersing en -bewaking.

De budgethouder is verplicht alles te doen wat voor een goede uitoefening van de functie nodig is.      

De budgethouder kan zich bij de uitoefening van zijn functie niet beroepen op onvolledigheid van deze regeling of een ander voorschrift bij het nalaten van datgene wat in redelijkheid tot zijn taak wordt geacht te behoren;

Kaders/voorwaarden

Bij de uitoefening van het budgethouderschap handelen de budgethouders zelfstandig, met inachtneming van de volgende voorwaarden, dat:

er ruimte is binnen de voor de producten beschikbaar gestelde budgetten;

de ingezette financiële middelen worden ingezet in overeenstemming met het doel waarvoor ze zijn geraamd;

er geen nieuwe aspecten of interpretaties aan de orde komen, die in de toekomst kunnen leiden tot, een groter beslag op financiële middelen, een hoger risico en/of een wijziging of een inperking van beleid;

bij voorstellen tot wijziging van bestaand beleid, c.q. voorstellen voor nieuw beleid tegelijkertijd een dekkingsplan wordt aangeboden.

Machtiging binnen budget/investeringskrediet

De budgethouder is met het oog op de realisatie van de onder zijn verantwoordelijkheid tot stand te brengen producten gemachtigd binnen de aangewezen en goedgekeurde budgetten - investeringskredieten daaronder begrepen - en in overeenstemming met het vastgestelde inkoopbeleid contractuele verplichtingen met derden aan te gaan en uitgaven te doen voor:

uitvoering van werken;

levering van goederen;

verlening van diensten.

Hieronder vallen ook de begrote inkomsten te verwerven met het oog op de realisering van het betreffende product.

Budgetover- en onderschrijding

Als rapporteringstolerantie voor budgetover- en onderschrijdingen wordt aangesloten bij de door de raad vastgestelde controleprotocol.

Uitgaven zonder budget/investeringskrediet

In zeer dringende gevallen is de budgethouder gemachtigd om, na verkregen instemming van de portefeuillehouder, verplichtingen aan te gaan om een product te realiseren, zonder dat daarvoor een goedgekeurd dan wel toereikend budget of investeringskrediet aanwezig is.

Als van de bepaling onder a gebruik wordt gemaakt, wordt het college van burgemeester en wethouders hiervan door de budgethouder schriftelijk op de hoogte gesteld, onder vermelding van de noodzaak om hiertoe over te gaan. Indien noodzakelijk kan een voorstel tot het beschikbaar stellen van een budget voorgelegd worden aan het college van burgemeester en wethouders.

Administratie

Opdrachten tot uitvoering van werken, levering van goederen en diensten en alle gunningen en de opdrachten tot meerwerk, worden zoveel als mogelijk schriftelijk gedaan.

Aan/toewijzing deelbudgethouders

De budgethouder is bevoegd, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid en zo nodig onder nader te stellen voorwaarden, zijn/haar taken en verantwoordelijkheden te mandateren aan een deelbudgethouder.

De budgethouder verstrekt op verzoek aan het college een overzicht van de op grond van het eerste lid van dit artikel aangewezen deelbudgethouders.

 

Artikel 21. Deelname verbonden partijen

het college besluit tot deelname aan en aansturing van een verbonden partij, mits de raad bepaald welk publieke taak / publiek belang wordt behartigd.

binnen het college wordt, per individuele verbonden partij, de rol van bestuurder/eigenaar en de rol van klant/opdrachtgever indien mogelijk bij verschillende collegeleden belegd.

met het besluit tot deelname worden zoveel als mogelijk concrete afspraken gemaakt over doelen, prestaties, kosten, risico´s en beheersinstrumenten.

raadsleden en ambtenaren nemen niet als vertegenwoordiger van de gemeente plaats in het bestuur van een verbonden partij.

 

Artikel 22. Grondbeleid

In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel van 16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

een overzicht van de activiteiten die we voor de bouwgrond in exploitatie en de strategische voorraad per complex gaan doen en wat deze activiteiten de gemeente per complex gaan kosten of opleveren.

2. Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een nota grondbeleid aan. De raad stelt de nota vast. In de nota wordt aandacht besteed aan:

de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente;

te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;

het verloop van de grondvoorraad;

de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden;

de uitgangspunten voor aankoop van gronden;

de uitgangspunten voor het doorrekenen van de grondexploitaties en;

de uitgangspunten voor het bepalen van de hoogte van de risicoreserve algemeen grondbedrijf (RAG).

 

Artikel 23. Weerstandsvermogen & risicobeheersing

In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

de ontwikkeling van de netto schuld per inwoner;

het saldo van de baten en lasten voor toevoegingen en onttrekkingen van reserves als percentage van de inkomsten;

de onbenutte belastingcapaciteit onroerende zaakbelasting als percentage van de inkomsten.

 

Artikel 24. Hardheidsclausule

In al die gevallen waarin deze verordening niet voorziet geeft het college de raad zo spoedig mogelijk inlichtingen over deze taakuitoefening en het ter zake genomen besluit. Randvoorwaarde is dat in het belang van de gemeente het college voor haar taakuitoefening wordt geacht een besluit te nemen en daarbij niet in de gelegenheid is geweest om de raad op grond van de actieve informatieplicht vooraf te informeren

 

 

5. Slotbepalingen

Artikel 25. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

De oude vastgestelde financiële verordening wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

Op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die voor 1 januari 2015 zijn gedaan, blijft de Financiële verordening van toepassing zoals deze gold op de dag voor de inwerkingtreding van deze verordening.

 

Artikel 26. Inwerkingtreding en citeertitel

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.

Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Oldebroek 2017.

 

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 15 december 2016

de burgemeester,

de griffier,

Toelichting op enkele artikelen:

 

Indien van toepassing wordt in de toelichting aanvullende informatie vermeld over het betreffende artikel uit de verordening.

 

Artikel 6 - lid 1- post onvoorzien

Om de financiële gevolgen van niet voorziene ontwikkelingen in de loop van het jaar te kunnen opvangen is het verplicht een bedrag in de begroting op te nemen voor onvoorzien (art. 8 lid 1 BBV).

In de regeling houdende nadere voorschriften met betrekking tot informatie voor derden van het Ministerie van BZK staat bij functie 922 - Algemene baten en lasten: Kernbegrippen bij deze functie zijn onder meer: een geraamd bedrag ter dekking van niet voorziene uitgaven in het begrotingsjaar. Het gaat hier onder meer om het bedrag dat door de gemeenten wordt geraamd ter dekking van incidentele, niet voorziene, lasten.

 

Het college informeert de raad over de hoogte van de post onvoorzien vooraf in de kaderbrief. De Raad stelt de post onvoorzien vast in de MJPB. Het college verantwoordt de aanwending van de post onvoorzien achteraf op zijn laatst met de jaarstukken van het betreffende begrotingsjaar. Het college kan in de loop van het begrotingsjaar de raad verzoeken de post onvoorzien aan te vullen.

 

De omschrijving van functie 922 bevat twee elementen die in dit verband van belang zijn te weten:

 

Incidenteel en niet voorzien in het begrotingsjaar

 

                 A. incidenteel

 

Uitgangspunt is om het gebruik van deze post daarom te beperken tot werkelijk onvoorziene uitgaven. Dit betekent dat oneigenlijk gebruik zoveel mogelijk moet worden voorkomen.

 

     Een ruime interpretatie van niet voorzien leidt tot de begrippen (de 3 O's):

                B. onvoorzien

                C. onvermijdelijk

                D. onuitstelbaar

 

Vier genoemde elementen zijn de toetsingscriteria om te bepalen of iets ten laste van onvoorziene uitgaven mag worden gebracht.

 

Ad A Incidenteel

Uitgaven en inkomsten in de exploitatiebegroting kunnen structureel of incidenteel zijn. In het algemeen is de post onvoorziene uitgaven de sluitpost van de begroting. De opstellers van de comptabiliteitsvoorschriften hebben door middel van de omschrijving onder functie 922 nog eens expliciet willen benadrukken, dat deze post dient ter dekking van incidentele uitgaven.

Dit betekent dat nieuwe activiteiten die structurele lasten veroorzaken, ook al voldoen ze aan de drie O's niet ten laste van deze post gebracht mogen worden.

 

Ad B Onvoorzienbaar

Indien uitgaven voorzienbaar zijn met andere woorden indien ze al planbaar zijn, is het niet toegestaan deze ten laste van onvoorziene uitgaven te brengen. In de praktijk blijkt vaak dat om wat voor reden dan ook geen goede planning is opgesteld van de werkvoorraad waardoor allerlei ad hoc voorstellen nodig zijn om dit te herstellen. Voorbeelden van onvoorziene uitgaven zijn: verplichtingen voortvloeiende uit wettelijke maatregelen, besluitvorming ten aanzien van gemeenschappelijke regelingen, buitengewoon onderhoud dat zich voordoet in verband met niet voorzienbare omstandigheden (calamiteiten).

 

Ad C Onvermijdelijk

Hiervan is sprake wanneer het gaat om uitgaven op basis van een wet, contract of overeenkomst, een zwaarwegende politieke toezegging/politiek belang.

Aanvullend indien door het tijdig treffen van maatregelen uitgaven voorkomen hadden kunnen worden, wordt gehandeld in strijd met dit principe. Is dit het geval dan zal geen beroep op onvoorziene uitgaven gedaan kunnen worden.

 

Ad D Onuitstelbaar (niet verschuifbaar in de tijd)

Indien activiteiten niet direct noodzakelijk zijn en daarom uitgesteld kunnen worden, is het niet de bedoeling de budgettaire consequenties ten laste van onvoorziene uitgaven te brengen. Wel kunnen ze worden meegenomen in de eerstvolgende begrotingscyclus.