Disclaimer

De informatie in dit onderdeel vormt geen bekendmaking in de zin van de Gemeentewet of de Algemene wet bestuursrecht. Alleen publicatie in Huis aan Huis, onder de kop Gemeentenieuws Oldebroek, heeft een officieel karakter.

U vindt onderstaand de geldende Algemeen Verbindende Voorschriften (verordeningen) en beleidsregels van de gemeente Oldebroek. In het onderdeel 'Concept regelgeving' vindt u de nog niet vastgestelde versies. Deze concept versies worden gebruikt tijdens de besluitvorming en hebben uitsluitend een informatief doel.

Zoeken in regelgeving

            

Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs

Voor deze verordening versie is geen samenvatting ingevoerd.

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie Gemeente Oldebroek
Vastgesteld door gemeenteraad
Officiële naam van de regeling Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2015
Citeertitel van de regeling Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
Onderwerp onderwijs
Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) Geen.
Opmerkingen m.b.t. de regeling De datum inwerkingtreding is bij benadering.
Betreft (aard van de wijziging) Wijziging (Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs van 1-1-2009 al uit werking gezet per 25-3-2016)
Datum uitwerkingtreding
Datum inwerkingtreding 25-03-2016
Terugwerkende kracht (t/m) 01-01-2015
Datum ondertekening 28-01-2016
Bron bekendmaking Gemeenteblad, 24-03-2016
Kenmerk voorstel AVV

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Wet op het primair onderwijs, art. 102
  2. Wet op het voortgezet onderwijs, art. 76m
  3. Gemeentewet, art. 149

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Datum uitwerkingtreding Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
25-03-2016 01-01-2015 Wijziging (Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs van 1-1-2009 al uit werking gezet per 25-3-2016) 28-01-2016
Gemeenteblad, 24-03-2016
AVV
01-01-2009 01-01-2009 25-03-2016 nieuwe regeling 30-06-2009
Huis aan Huis, 14-07-2009
AVV

Inhoudsopgave

Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs

 

Kenmerk: 218450 / 219667

De raad van de gemeente Oldebroek;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 8 december 2015;

 

kennis genomen van het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de vertegenwoordi-gers van de bevoegde gezagsorganen;

 

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 76m van de Wet op het voortgezet onderwijs;

 

BESLUIT

 

vast te stellen de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Oldebroek 2015.

 

Hoofdstuk 1         Algemene bepalingen

 

Artikel 1        Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  1. a)aanvraag: verzoek om het bekostigen van een voorziening of om het bekostigen van een voorbereidingskrediet.

  2. b)aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag indient.

  3. c)advies Onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als bedoeld in artikel 95, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs of artikel 76f, negende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  4. d)bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente.

  5. e)lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt is voor het bewegingsonderwijs.

  6. f)minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

  7. g)nevenvestiging: deel van een school dat door de minister op grond van artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs of artikel 16, tweede en derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht.

  8. h)overzicht: overzicht als bedoeld in artikel 96 van de Wet op het primair onderwijs of artikel 76g van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  9. i)permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren.

  10. j)programma: programma als bedoeld in artikel 95 Wet op het primair onderwijs en artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  11. k)school:

1°. school voor basisonderwijs: basisschool als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs.

2°. school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in de artikelen 1, 2  en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  1. l)tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen minstens 15 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren.

  2. m)tijdelijke nevenvestiging: een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld n artikel 16, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  3. n)verhuur: gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.

  4. o)voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II minimaal 15 jaar noodzakelijk is.

  5. p)voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II maximaal 15 jaar noodzakelijk is.

  6. q)voorziening: voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 2.

Artikel 2        Omschrijving voorzieningen in de huisvesting

Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende voorzieningen onderscheiden:

  1. a)a. voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit:

1°. nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het rijk voor bekostiging in aanmerking is gebracht, of nieuwbouw om een gebouw waarin een school is gehuisvest geheel of gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op dezelfde locatie.

2°. uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest.

3°. het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand gebouw voor het huisvesten van een school.

4°. verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke gebouwen voor het huisvesten van een school.

5°. terrein voor zover nodig voor het realiseren van een voorziening als bedoeld in 1 tot en met 4.

6°. inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd.

7°. inrichting met meubilair voor zover dit nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd.

8°. medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij een andere school in gebruik is of van een lokaal bewegingsonderwijs.

  1. b)herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie.

  2. c)herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, onderwijsleerpakket of meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden.

  3. d)huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs voor het onderwijs in lichamelijke oefening.

Artikel 3        Voorbereidingskrediet

Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1, 2, 4, 6 en 7, kan een aanvraag voor het bekostigen van de kosten voor het opstellen van een aanbestedingsgereed bouwplan worden ingediend.

 

Artikel 4        Vaststellen vergoeding voorzieningen

  1. 1.Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1, 2, 4, 6 en 7 wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in bijlage IV opgenomen normbedragen.

  2. 2.Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid wordt de vergoeding vastgesteld op de feitelijke kosten.

  3. 3.De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3 wordt vastgesteld op 10% procent van het geraamde investeringsbedrag.

Artikel 5. Informatieverstrekking

Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze verordening. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier.

 

 

Hoofdstuk 2        Programma en overzicht

 

Paragraaf 2.1                 Aanvragen programma

 

Artikel 6        Indienen aanvraag

  1. 1.Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma wordt door het bevoegd gezag bij het college ingediend en moet uiterlijk 31 januari van het jaar waarin het betreffende programma wordt vastgesteld zijn ontvangen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier.

  2. 2.Aanvragen die na deze datum worden ontvangen neemt het college niet in behandeling.

 

Artikel 7        Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen                 onvolledige aanvraag

  1. 1.Een aanvraag vermeldt in ieder geval:

  1. a.de naam en het adres van de aanvrager;

  2. b.de dagtekening;

  3. c.de naam van de school en, als dit van toepassing is, het gebouw waarvoor de voorziening is bestemd;

  4. d.de voorziening die wordt aangevraagd;

  5. e.de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste voorziening, bestaande uit:

1.° een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school voor basisonderwijs of de school voor voortgezet onderwijs, als het betreft een aanvraag voor een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1, 2, 3 4, 5 en artikel 2, onderdeel b, c en d, onder de voorwaarde dat de prognose overeenkomstig bijlage II is vastgesteld;

2°. als de aanvraag betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk bekostigen van vervangende nieuwbouw van een gebouw als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1, of herstel van een constructiefout als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, een bouwkundige rapportage die voldoet aan de eisen NEN 2767, zodat de noodzaak van de gevraagde voorziening kan worden vastgesteld;

3°. als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten, een begroting van de noodzakelijke kosten voor het bekostigen van de voorziening of, als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3, een kostenbegroting;

  1. f.de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening, en

  2. g.als het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1 tot en met 5, de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd.

  1. 2.Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste of tweede lid ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 maart de gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.

  2. 3.Als een door het college in behandeling genomen aanvraag mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school op 1 oktober van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld, is de aanvrager verplicht dat aantal voor 15 oktober te registeren in de Basisregistratie Onderwijs bij de Dienst Uitvoering Onderwijs. Heeft aanvrager de registratie niet binnen de gestelde termijn gerealiseerd, dan deelt het college dit schriftelijk mede aan de aanvrager en heeft de aanvrager de gelegenheid dit alsnog te doen binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de mededeling. Als de registratie niet alsnog binnen drie dagen is verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.

 

Artikel 8        Opgave ingediende aanvragen

Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van de aanvragen die over-eenkomstig artikel 6 zijn ingediend en geeft daarbij aan welke niet in behandeling worden genomen.

 

 

Paragraaf 2.2         Overleg voorafgaand aan vaststellen programma en overzicht

 

Artikel 9        Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting

  1. 1.Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag nader toe te lichten. Dit overleg vindt plaats na de hersteldatum, bedoeld in artikel 7, tweede lid.

  2. 2.Het college treedt in overleg met de aanvrager als de aanvraag betrekking heeft op een voor-ziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten en het college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting moet worden aangepast.

  3. 3.Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het pro-gramma en het overzicht, bedoeld in paragraaf 2.3:

    1. a.de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan, en

    2. b.als dit van toepassing is, de redenen waarom in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag.

 

Artikel 10        Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad

  1. 1.Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar voren te brengen.

  2. 2.Het overleg als bedoel in het eerste lid vindt plaatst voor 15 september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het vast te stellen programma betrekking heeft. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel.

  3. 3.De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als bedoeld in eerste lid, kunnen voor de in het tweede lid genoemde datum hun zienswijzen schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg van deze zienswijzen in kennis.

  4. 4.Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen. De overeenkomstig het vorige lid tijdig ingediende zienswijzen en de reactie van het college hierop worden opgenomen in het verslag. Het verslag wordt binnen een maand na het overleg toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.

  5. 5.Een bevoegd gezag en het college kunnen de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over het conceptprogramma. Het verzoek bevat een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies dient betrekking te hebben op de relatie tussen de voorgenomen inhoud van het programma en de vrijheid van richting en inrichting. Het verzoek en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen worden opgenomen in het verslag, bedoeld in het vierde lid.

  6. 6.Het college is belast met het indienen van een verzoek om advies bij de Onderwijsraad. Het college zorgt ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor het beoordelen van het verzoek, waaronder het verslag, bedoeld in het vierde lid.

  7. 7.7. Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Als het geheel of gedeeltelijk opvolgen van het advies zou leiden tot één of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het programma worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij het toezenden van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij het toezenden van het afschrift van het advies.

  8. 8.Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats binnen twee weken nadat het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen is gezonden. Het college maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag, bedoeld in het vierde lid.

 

Paragraaf 2.3         Vaststellen bekostigingsplafond, programma en         overzicht

 

Artikel 11        Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht

  1. 1.Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding van de aangevraagde voor-zieningen. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden naar onderwijssoort of per voorziening.

  2. 2.Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31 december voorafgaande aan het jaar waarop het programma betrekking heeft.

 

Artikel 12        Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, programma                 en overzicht

  1. 1.De besluiten tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht worden door het college binnen twee weken na de datum waarop het besluit is genomen bekend gemaakt door het toezenden of het uitreiken van het besluit aan de aanvragers. Gelijktijdig stelt het college de overige bevoegde gezagsorganen schriftelijk in kennis van de genomen besluiten.

  2. 2.De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden gelijktijdig met de bekendmaking ter inzage gelegd.

 

Paragraaf 2.4                 Uitvoeren programma

 

Artikel 13        Overleg wijze van uitvoering

  1. 1.Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld treedt het college in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de op het programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd. In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor het uitvoeren van de voorziening en worden, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt over:

    1. a.het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 76n van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    2. b.het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting door de aanvrager worden ingediend;

    3. c.als dit van toepassing is, een andere wijze waarop de toegekende voorziening wordt uitgevoerd, met inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;

    4. d.de wijze waarop het college het bouwplan en de begroting toetst, en of het naar het oordeel van het college noodzakelijk is bij het toetsen van het bouwplan en de begroting rekening te houden met feiten en omstandigheden die gewijzigd zijn ten opzichte van het moment waarop het programma is vastgesteld, waardoor het eerder genomen besluit kan worden herzien;

    5. e.de controle op en het afleggen van verantwoording over het besteden van de beschikbaar te stellen middelen;

    6. f.de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt;

    7. g.de mogelijkheid om vooruitlopend op het aanvragen van het totale investeringskrediet een bedrag aan te vragen voor de kosten van voorbereiding van het bouwplan tot 10% van het geraamde investeringsbedrag.

  1. 2.De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid legt het college schriftelijk vast in een verslag. De aanvrager ontvangt het verslag binnen vier weken na het overleg. Als de aanvrager niet binnen twee weken nadat het verslag is ontvangen schriftelijk reageert, wordt, afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen overeenstemming te zijn bereikt.

  2. 3.Bij het toepassen van artikel 14, tweede lid, neemt het college binnen vier weken nadat over-eenstemming is bereikt een beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging aanvangt. Het bepaalde in artikel 15 is daarbij van overeenkomstige toepassing.

  3. 4.Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt het college dit binnen vier weken nadat het verslag is vastgesteld schriftelijk mede aan de aanvrager en vermeldt gelijktijdig dat het bekostigen van de uitvoering van de voorziening wordt opgeschort.

 

Artikel 14        Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging;                 toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden;                 overleggen offertes

  1. 1.1. Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 13, tweede lid, is bereikt dient het bevoegd gezag het bouwplan en, als de voorziening wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten, de bijbehorende begroting in bij het college. Het bevoegd gezag houdt daarbij rekening met de hierover gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 13, eerste lid. Gelijktijdig vermeldt het bevoegd gezag het tijdstip waarop de bekostiging kan starten. Het college moet instemmen met het bouwplan en de begroting voordat een bouwopdracht wordt verleend.

  2. 2.Het college beslist binnen zes weken nadat de stukken zijn ontvangen over de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Als niet binnen de gestelde termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de begroting en start de bekostiging op het door de aanvrager aangegeven tijdstip. Het college stelt de aanvrager binnen twee weken na de datum van de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start respectievelijk na de datum waarop de instemming geacht wordt te zijn verleend hiervan schriftelijk in kennis.

  3. 3.De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt vastgesteld op basis van de economisch meest voordelige inschrijving.

 

Artikel 15        Aanvang bekostiging

Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging start bepalen dat de gel-den in termijnen betaald worden. Het betalen van de gelden vindt telkens plaats op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen die voortkomen uit het realiseren van de op het programma geplaatste voorziening.

 

Artikel 16        Vervallen aanspraak op bekostiging

  1. 1.Voor 1 oktober van het jaar waarop het programma betrekking heeft geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij voor 15 oktober een afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan.

  2. 2.De in het eerste lid bedoelde:

    1. a.bouwopdrachten en overeenkomsten zijn onherroepelijk;

    2. b.bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd;

    3. c.huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst;

    4. d.koopovereenkomsten vermelden de datum van aankoop.

  1. 3.De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het overschrijden van de in het eerste lid bedoelde termijn veroorzaakt wordt door:

    1. a.bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en

    2. b.de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot het verlengen van de termijn heeft ingediend bij het college.

  1. 4.Het college beslist voor 15 september op een verzoek tot het verlengen van de termijn. Bij inwilliging van het verzoek wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn wordt verlengd.

 

Hoofdstuk 3.         Aanvragen met spoedeisend karakter

 

Paragraaf 3.1                 Aanvraag

 

Artikel 17        Indienen aanvraag

Een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt na het ontstaan van de calamiteit ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier.

 

Artikel 18        Inhoud aanvraag

  1. 1.Een aanvraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de gegevens genoemd in artikel 7, eerste lid, de omstandigheden waarom de voorziening spoedeisend wordt geacht.

  2. 2.Het college stelt de aanvrager binnen twee weken na de datum waarop de aanvraag is ingediend schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager heeft vervolgens twee weken om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.

 

 

 

Paragraaf 3.2                Beoordelen aanvraag; uitvoeren besluit

 

Artikel 19        Tijdstip beslissing

  1. 1.Het college beslist binnen vier weken nadat de aanvraag is ontvangen of, binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt.

  2. 2.Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager schriftelijk mede en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

  3. 3.Het college stelt de aanvrager binnen twee weken na de datum van de beslissing schriftelijk van de beslissing in kennis.

 

Artikel 20        Uitvoeren beslissing

  1. 1.Na het bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel 19, eerste lid, waarbij een ver-goeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de voorziening wordt uitgevoerd. Het bepaalde in de artikelen 13, 14, 15 en 16, tweede tot en met vierde lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de termijn, bedoeld in artikel 14, tweede lid, eerste volzin, een termijn van drie weken geldt.

  2. 2.Binnen drie maanden na bekendmaking van een beslissing als bedoeld in het eerste lid geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij binnen twee weken een afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan.

 

Hoofdstuk 4        Medegebruik en verhuur

 

Paragraaf 4.1                Medegebruik voor onderwijs of educatie

 

Artikel 21         Aanduiden omstandigheden

Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een voor een school bestemd gebouw of terrein als:

  1. a.door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien van een school waarbij overeenkomstig bijlage III, deel C, een aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in de artikelen 6 of 17 heeft ingediend;

  2. b.sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of instelling gangbare berekeningswijze;

  3. c.leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een school;

  4. d.leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs van een school, of

  5. e.een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs niet volledig wordt benut, wat blijkt uit het lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken.

 

Artikel 22         Omschrijving leegstand

  1. 1.Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als overeenkomstig bijlage III, deel C, is vast-gesteld dat de vastgestelde capaciteit van het gebouw groter is dan de vastgestelde ruimtebehoefte.

  2. 2.Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs als:

    1. a.het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs en de som van het aantal klokuren gebruik dat door het college is vastgesteld minder is dan 40 klokuren;

    2. b.het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor voortgezet onderwijs en uit de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte blijkt dat het lokaal minder dan 40 lesuren wordt gebruikt, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval is;

    3. c.het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs, en de som van de berekeningswijzen, bedoeld onder a en b, minder is dan 40 klokuren.

 

 

Artikel 23         Nalaten vorderen

Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik moet plaatsvinden, in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen voor het onderwijs aan die school of scholen, tenzij dat gebruik kan plaatsvinden in de voor die scholen al beschikbare huisvestingscapaciteit.

 

Artikel 24         Overleg en mededeling

  1. 1.Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 6 overlegt het daarover met de betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg als bedoeld in artikel 10.

  2. 2.Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 17, overlegt het daarover zo spoedig mogelijk met de betrokken bevoegde gezagsorganen.

  3. 3.Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld of binnen een week na het overleg, bedoeld in het vorige lid, deelt het college het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd wordt.

  4. 4.De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder geval:

    1. a.de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor wordt gevorderd;

    2. b.een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor gevorderd wordt of, als het betreft het bewegingsonderwijsonderwijs, het aantal klokuren dat gevorderd wordt;

    3. c.het gebouw waarop de vordering betrekking heeft;

    4. d.het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte dat gevorderd wordt;

    5. e.de periode waarvoor gevorderd wordt, en

    6. f.de ingangsdatum van het medegebruik.

 

Artikel 25         Vergoeding

De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de vergoeding voor het me-degebruik vast. Hierbij wordt als uitgangspunt genomen dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn. Als geen overeenstemming wordt bereikt stellen partijen in onderling overleg vast welke handelwijze wordt gevolgd.

 

Paragraaf 4.2                 Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of                                 recreatieve        doeleinden

 

Artikel 26        Overleg en mededeling

  1. 1.Voordat het college overgaat tot vorderen overlegt het college met het bevoegd gezag.

  2. 2.In het overleg komt in ieder geval aan de orde:

  1. a.voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;

  2. b.of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;

  3. c.of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik ondervindt;

  4. d.wat naar oordeel van het college en het bevoegd gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;

  5. e.de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs aanvang kan nemen.

  1. 3.Binnen vier weken na het overleg deelt het college het bevoegd gezag waarvan medegebruik gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd wordt. Als het overleg heeft geleid tot afspraken, worden ook deze opgenomen in de schriftelijke mededeling. Als het overleg niet tot volledige overeenstemming heeft geleid, dan bevat de mededeling de beslissing van het college over de punten waarover geen overeenstemming was bereikt.

 

Paragraaf 4.3                Verhuur

 

Artikel 27        Verzoek toestemming college

  1. 1.Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om toestemming als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs of artikel 76s, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voordat een huurovereenkomst wordt gesloten.

  2. 2.Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de bestemming van de te verhuren ruimte.

  3. 3.Het college kan aan de toestemming de voorwaarde verbinden dat voor de verhuur een huur is verschuldigd.

Hoofdstuk 5         Einde gebruik gebouwen en terreinen

Artikel 28        Staat van onderhoud

  1. 1.Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein.

  2. 2.Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig onderhoud wordt voordat de eigen-domsoverdracht plaatsvindt een objectieve staat van onderhoud opgemaakt.

  3. 3.De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag opgemaakt in opdracht van het college.

  4. 4.Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag.

  5. 5.Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van achterstallig onderhoud wordt in het overleg vastgesteld welk deel hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het bevoegd gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de werkzaamheden, of dat het bevoegd gezag een in overleg vast te stellen bedrag aan het college betaalt. Als geen overeenstemming wordt bereikt, stellen partijen vast welke handelwijze verder gevolgd wordt.

  6. 6.Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als dit naar het oordeel van het college niet nodig is.

 

Hoofdstuk 6        Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door                                 basisonderwijs

 

Artikel 29        Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit, inroosteren en                 gebruik

  1. 1.Het college stelt jaarlijks voor 1 april voorlopig vast het aantal klokuren bewegingsonderwijs waarop een school voor basisonderwijs in het daaropvolgende schooljaar aanspraak maakt.

  2. 2.Grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het lopende schooljaar op de school staat ingeschreven.

  3. 3.Op basis van het aantal klokuren stelt het college voor 1 mei een rooster op voor het gebruik van de lokalen bewegingsonderwijs, waarbij het college rekening houdt met de volgende uit-gangspunten:

    1. a.de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs, bedoeld in bijlage I, deel B;

    2. b.een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van het lokaal bewegingsonderwijs wordt voor de school als eerste ingeroosterd voor het lokaal bewegingsonderwijs, en

    3. c.het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk ingeroosterd in één lokaal bewegingsonderwijs.

  1. 4.Het college stelt het bevoegd gezag, twee weken na de voorlopige vaststelling van het rooster, in kennis van het rooster. Hierbij worden per school de volgende gegevens vermeld:

    1. a.het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd;

    2. b.het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het bewegingsonderwijs is toegewezen, en

    3. c.de lestijden gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt.

  1. 5.De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 1 juni reageren op het voorstel.

  2. 6.Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan het college een overleg over het voorstel plannen. Dit overleg vindt plaats binnen twee weken na toezending. In het overleg kunnen de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen reageren op het voorstel.

  3. 7.Het college stelt het rooster voor 15 juni definitief vast en houdt hierbij rekening met de reacties van de bevoegde gezagsorganen.

  4. 8.Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te roosteren dan het aantal klokuren dat door het college is vastgesteld.

  5. 9.Het college neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid uitsluitend in behandeling als daarvoor nog capaciteit beschikbaar is. Het aantal klokuren dat door het college extra wordt ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van de school.

 

Hoofdstuk 7        Slotbepalingen

 

Artikel 30        Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet

In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin deze verordening niet voorziet beslist het college.

 

Artikel 31        Indexering

Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV opgenomen systematiek van prijsbijstelling.

 

Artikel 32. Intrekken oude verordening

De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs van 1 januari 2009 wordt ingetrokken.

 

Artikel 33. Inwerkingtreding en citeertitel

  1. 1.Deze verordening treedt een dag na bekendmaking in werking en werkt terug tot 1 januari 2015.

  2. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs.

 

 

 

Aldus besloten in de openbare vergadering

van de gemeenteraad van Oldebroek

op.

 

 

     , voorzitter mr. A. Hoogendoorn

 

 

 

 

     , griffier J. Tabak.

 

 

Bijlagen Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs

Bijlagen Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (PDF)
Omschrijving: