Disclaimer

De informatie in dit onderdeel vormt geen bekendmaking in de zin van de Gemeentewet of de Algemene wet bestuursrecht. Alleen publicatie in Huis aan Huis, onder de kop Gemeentenieuws Oldebroek, heeft een officieel karakter.

U vindt onderstaand de geldende Algemeen Verbindende Voorschriften (verordeningen) en beleidsregels van de gemeente Oldebroek. In het onderdeel 'Concept regelgeving' vindt u de nog niet vastgestelde versies. Deze concept versies worden gebruikt tijdens de besluitvorming en hebben uitsluitend een informatief doel.

  

Lozingsverordening riolering

Voor deze verordening versie is geen samenvatting ingevoerd.

Gegevens van de regeling

Vastgesteld door gemeenteraad
Officiële naam van de regeling Lozingsverordening riolering 1994
Citeertitel van de regeling Lozingsverordening
Onderwerp Milieu
Gedelegeerde regelgeving Geen.
Opmerkingen m.b.t. de regeling Geen.
Betreft (aard van de wijziging) nieuwe regeling
Datum intrekking van (een versie van) de regeling 01-01-2010
Datum van inwerkingtreding van (een versie van) de regeling 01-01-1994
Datum terugwerkende kracht (t/m) van (een versie van) de regeling
Datum ondertekening van (een wijziging van) de regeling 23-11-1993
Bron bekendmaking van (een wijziging van) de regeling Huis aan huis, 01-12-2009.
Kenmerk voorstel AVV

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Gemeentewet, art. 149

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
01-01-1994 nieuwe regeling 23-11-1993
Huis aan huis, 01-12-2009.
AVV

 

De raad van de gemeente Oldebroek;  

 

gelezen het. voorstel van burgemeester en wethouders  d.d. 02 nov. 1993

 

overwegende:  

 

dat het in verband met het tegengaan en het voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren krachtens artikel tweede lid, juncto het eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verboden is zonder vergunning met behulp van de gemeentelijke riolering afvalstoffen, verontreinigde of schadelijke stoffen in oppervlaktewateren te brengen, tenzij de voorschriften die zijn gesteld door de beheerder van het oppervlaktewater dan wel de beheerder van een rioolwaterzuiveringsinstallatie of enig ander werk, waarop de riolering is aangesloten, worden nageleefd, welke uitzondering overigens weer niet geldt voor bij AmvB aangewezen soorten van inrichtingen en stoffen; 

 

dat het, ten einde de naleving van deze aan de gemeente gestelde voorschriften te kunnen verzekeren, wenselijk is ook met het oog daarop regels te stellen;  

 

dat het voorts ter bescherming van de riolering en de goede werking daarvan, van de belangen van derden tegen nadelen welke hieruit kunnen voortvloeien, alsmede ter bescherming van de kwaliteit van het rioolslib, wenselijk is regels te stellen omtrent het lozen van afvalwater op de gemeentelijke riolering;  

 

gelet op artikel 168 van de gemeentewet en mede in beschouwing genomen de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;  

 

BESLUIT:  

 

vast te stellen de volgende lozingsverordening riolering.  

HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:  

  1. afvalwater: te lozen water, waarin al dan niet afvalstoffen als bedoeld onder b voor komen;  

  2. afvalstoffen: afvalstoffen, verontreinigde of schadelijke stoffen, in welke vorm dan ook, als bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;  

  3. riolering: het gemeentelijk rioolstelsel, met inbegrip van de daartoe behorende rioolgemalen en persleidingen en andere openbare werken en installaties van overeenkomstige aard, uitgezonderd straatkolken en particuliere aansluitingen;  

  4. waterbeheerder: de beheerder van een rioolwaterzuiveringsinstallatie of van enig ander werk waarop de riolering is aangesloten, dan wel het gezag dat bevoegd is tot het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning als bedoeld in 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, tot het. inbrengen van afvalstoffen, verontreinigde of schadelijk in het oppervlaktewater waarop de riolering uitkomt;  

  5. werk: vast aanwezige voorziening, waarmee stoffen direct. of indirect in de riolering kunnen worden gebracht;  

  6. f.         inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen activiteit         die binnen zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Artikel 2 Verbod te lozen op een straatkolk

  1. Het is verboden afvalwater of afvalstoffen met gebruikmaking van een straatkolk of een inspectieput lozen op de riolering. 

  2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op de lozing op een straatkolk die in kader van normaal huishoudelijk gebruik. op een straatkolk plaatsvindt.  

  3. Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod in het eerste lid ontheffing ver lenen.  

HOOFDSTUK 2         Bepalingen ter ui van de door de waterbeheerder aan de gemeente gegeven voorschriften

 

 

Afdeling 1 Verbod zonder vergunning afvalwater of afvalstoffen te lozen  

Artikel 3 Vergunningplicht

  1. Het is verboden een inrichting die door middel van een werk afvalwater of afvalstoffen op de riolering kan lozen of loost zonder een daartoe verleende vergunning van burgemeester en wethouders:  

    1. op te richten of in werking te hebben;  

    2. uit te breiden of te wijzigen voor zover dit kan leiden tot een wijziging van de samenstelling, eigenschappen of hoeveel heden van het te lozen afvalwater of de te lozen afvalstoffen, dan wel tot. een wijziging van de tijdsduur van de lozingen.  

  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet. voor inrichtingen die behoren tot een door burgemeester en wethouders aangewezen categorie, waarvoor door burgemeester en wethouders nadere regels zijn gesteld. Van het  oprichten, het in werking hebben of het uitbreiden dan wel wijzigen geeft degene die de inrichting drijft kennis volgens de regels van artikel 4.

  3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor inrichtingen waarvan de lozing uitsluitend bestaat uit met. huishoudelijk afvalwater overeenkomend bedrijfsafvalwater.  

  4. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor inrichtingen die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. 

 

 

Afdeling 2 Lozen overeenkomstig nadere regels na kennisgeving  

Kennisgevingsplicht

Artikel 4  

  1. Degene die voornemens is een inrichting op te richten, behorende tot een door burgemeester en wethouders krachtens artikel 3, tweede lid, aangewezen categorie, moet hiervan 8 weken voor het oprichten aan burgemeester en wethouders schriftelijk kennisgeven met inachtneming van hetgeen hierna daaromtrent.bepaald is  

  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het uitbreiden of wijzigen van een inrichting behorende tot een door burgemeester en wethouders krachtens artikel 3, tweede lid aangegeven categorie voor zover dit kan leiden tot een wijziging van de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van het te lozen afvalwater of de te lozen afvalstoffen, dan wel een wijziging van de tijdsduur van de lozing. 

  3. Een kennisgeving als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt. ondertekend en ingediend door degene die de inrichting drijft..  

  4. Kennisgevingen als bedoeld in het eerste en tweede lid worden schriftelijk ingediend in ..-voud en bevatten in elk geval:  

    1. naam en adres van degene die de inrichting drijft 

    2. een opgave van de wijze van lozen waaronder een nauwkeurige opgave van de hemel-en afvalwaterstromen binnen de inrichting alsmede een nauwkeurige karakterisering, van het te lozen afvalwater of de te lozen afvalstoffen naar samenstelling, eigenschappen en hoeveelheden;  

    3. de maatregelen die zijn of zullen worden getroffen om de belasting van het milieu die de lozing kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken  

  5. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere regels te stellen met betrekking tot de inhoud van de kennisgeving en de daarbij over te leggen bescheiden.  

  6. Het. bepaalde in het. eerste en tweede lid geldt niet voor inrichtingen die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen op grond van artikel 1,tweede lid van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren 

Nadere regels en voorschriften

Artikel 5  

  1. Voor inrichtingen waarvoor de kennisgevingsplicht als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid van toepassing is, gelden de nadere regels opgenomen in het besluit van burgemeester en wethouders, krachtens artikel 3, tweede lid.  

  2. Burgemeester en wethouders kunnen met betrekking tot inrichtingen als bedoeld in het eerste lid, voorschriften opleggen ter uitvoering van de door de waterbeheerder aan de gemeente gegeven voorschriften.  

  3. Burgemeester en wethouders kunnen een lozing vanuit een inrichting, als bedoeld in het eerste lid, verbieden indien voorschriften redelijkerwijze de uitvoering van de door de waterbeheerder aan de gemeente gegeven voorschriften niet kunnen waarborgen.  

Verbodsbepalingen

Artikel 6  

Het is degene bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, verboden een inrichting die door middel van een werk afvalwater of afvalstoffen kan lozen of loost op te richten, in werking te hebben of uit te breiden of te wijzigen, voor zover dit kan leiden tot een wijziging van de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van het lozen afvalwater of de te lozen afvalstoffen, dan wel een wijziging van de tijdsduur van de lozing:  

  1. zonder de kennisgeving gedaan op grond van artikel 4;  

  2. in afwijking van de bij de kennisgeving verstrekte gegevens;  

  3. in strijd met de nadere regels die krachtens artikel 5, eerste lid, van toepassing zijn;  

  4. in strijd met de voorschriften die burgemeester en wethouders krachtens artikel 5, tweede lid, hebben opgelegd  

 

 

Afdeling 3 Overige bepalingen ter uitvoering van de door de waterbeheerder aan de gemeente gegeven voorschriften  

Artikel 7 Vangnetbepaling

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2 tot en met 6 is het verboden op de riolering op enigerlei wijze afvalwater te lozen dat, of afvalstoffen te lozen die door samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid:  

  1. gevaar, schade of hinder kunnen opleveren voor de rioolwaterzuiveringsinstallatie of enig ander werk dat de waterbeheerder in beheer heeft en waarop de riolering is aangesloten of voor de goede werking daarvan 

  2. schadelijk of verontreinigd kunnen zijn voor het ontvangende oppervlaktewater. 

HOOFDSTUK 3 Bepalingen ter bescherming van de riolering en de goede werking daarvan

Artikel 8 Algemene regels

  1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2 tot en met. 7 is het. verboden op de riolering op enigerlei wijze afvalwater te lozen of afvalstoffen te en die door samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid:  

    1. gevaar, schade of der kan (kunnen) opleveren voor de riolering, dan wel de goede werking daarvan, of voor de daarop aangeslotenen; 

    2. een nadelige invloed kan (kunnen)         hebben op de verwerking van het uit, het. riool te verwijderen slib

  2. Het is in het. bijzonder verboden op de riolering afvalwater of afvalstoffen te lozen: 

    1. een temperatuur hoger dan 30°C; 

    2. met. een zuurgraad, uitgedrukt in waterstofionenexponent (pH) lager dan 6,5 of hoger dan 10,0, alsmede zuren en basen die niet in water zijn opgelost;  

    3. een sulfaatconcentratie van meer dan 300 mg per liter 

    4. dat (die) verstopping of beschadiging van de riolering of daarmee verbonden installaties kan (kunnen) veroorzaken;  

    5. dat (die) worden versneden door middel van versnijdende apparatuur, tenzij het stoffen betreft die ook zonder te zijn versneden geloosd mogen worden;  

    6.  dat. (die) brand-of explosiegevaar kan (kunnen) veroorzaken;

    7. dat (die) stankoverlast kan (kunnen) veroorzaken;  

    8. dat (die) voorafgaande aan de lozing door een beerput, rottingsput of septictank is (zijn) geleid.  

  3. Het is verboden op een regenwaterriool op enigerlei wijze ander afvalwater te lozen dan niet-verontreinigd hemelwater.  

  4. Ten behoeve van controle op lozingen dienen een of meer doelmatige controlevoorzieningen te zijn aangebracht. 

  5. Het in het tweede lid, sub a tot en met c en vierde lid bepaalde geldt niet voor het lozen van afvalwater of afvalstoffen in het kader van het normale huishoudelijke gebruik dat. van een woonruimte wordt gemaakt.  

  6. Burgemeester en wethouders kunnen voorschriften opleggen ter bescherming van de kwaliteit van het rioolslib, van de riolering, en de goede werking daarvan.  

  7. Het is verboden afvalwater of afvalstoffen op de riolering te lozen in strijd met de voorschriften als bedoeld in het zesde lid.  

HOOFDSTUK 4         Algemene bepalingen betreffende ontheffing, vergunning en voorschriften

Aanvraag vergunning of ontheffing

Artikel 9  

Een aanvraag om vergunning of ontheffing kan mondeling worden ingediend, indien in verband met. het spoedeisende karakter van de zaak, het schriftelijk indienen hiervan niet kan worden gevergd.  

Advisering van de waterbeheerder over de vergunningaanvraag

Artikel 10  

  1. Tenzij burgemeester en wethouders reeds bij een eerste beoordeling van de aanvraag menen dat de vergunning behoort te worden geweigerd, stellen zij, onder overlegging van de aanvraag en de daarop betrekking bescheiden, de waterbeheerder in de gelegenheid hen van advies te dienen omtrent de aanvraag.  

  2. Indien met het oog op het geheel of gedeeltelijk inwilligen van de aanvraag een wijziging of aanvulling van de aan de gemeente gegeven schriften voor het brengen van het rioolwater in oppervlaktewater of naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie of enig ander werk waarop de riolering is aangesloten noodzakelijk is, dienen burgemeester en wethouders binnen 4 weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen, onderscheidenlijk na de dag waarop de in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde aanvulling of verbetering is ontvangen, een daartoe strekkend verzoek schriftelijk in bij de waterbeheerder.  

  3. Van de indiening als bedoeld in het tweede lid geven burgemeester en wethouders kennis aan de aanvrager van de vergunning.  

Beslissingstermijn vergunning

Artikel 11 

  1. Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om vergunning binnen 17 weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is, onderscheidenlijk na de dag waarop de in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde aanvulling of verbetering is ontvangen.  

  2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslissen burgemeester en wethouders binnen 4 weken na het van kracht worden van de beslissing van de waterbeheerder als bedoeld in artikel 10, tweede lid of van een daarvoor in de plaats getreden beslissing in beroep indien deze beslissing genomen wordt later dan 13 weken na de dag waarop de aanvraag in behandeling is genomen.  

  3. Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor ten hoogste 8 weken verdagen. Van het besluit tot verdaging wordt vóór de afloop van de in het eerste en tweede lid bedoelde termijn schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager en aan de waterbeheerder.  

  4. In afwijking van het eerste, tweede en derde lid kunnen burgemeester en wethouders, indien een gecoördineerde behandeling van de lozingsvergunning en de milieuvergunning op grond van de Wet milieubeheer naar het oordeel van de burgemeester en wethouders noodzakelijk is, de procedure van de totstandkoming van de milieuvergunning uit hoofdstuk 13 Wet milieubeheer (Stb 1992,551) van overeenkomstige toepassing verklaren. Zij geven de aanvrager en de waterbeheerder binnen twee weken hiervan bericht  

Toezending beschikking

Artikel 12 

Burgemeester en wethouders zenden een afschrift van de beslissing tot aanvraag, intrekking of wijziging aan de waterbeheerder en de regionale inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid, belast met het toezicht op de hygiëne van het milieu. Indien de vergunning wordt verleend, wordt bij de beschikking een gewaarmerkt exemplaar van de op de vergunning betrekking aanvraag gevoegd.  

Anticipatie op toekomstige ontwikkelingen

Artikel 13  

Burgemeester en wethouders houden bij hun beslissing op de aanvraag om vergunning rekening met de te verwachten ontwikkelingen in de lozingen op de riolering en in het bijzonder met die welke veroorzaakt kunnen worden door:  

  1. redelijkerwijze binnen afzienbare tijd te verwachten wijzigingen in de lozing waarvoor vergunning wordt gevraagd;  

  2. voorgenomen lozingen van derden.  

Tijdsduur vergunning

Artikel 14  

  1. De vergunning kan voor een bepaalde termijn worden verleend indien:  

    1. de lozing een tijdelijk karakter zal hebben;  

    2. een aan de gemeente verleende vergunning voor het brengen van het rioolwater in oppervlaktewater of naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie of enig ander werk waarop de riolering is aangesloten, tot het verlenen van een vergunning voor een bepaalde termijn noopt.  

  2. Na het verstrijken van de termijn als bedoeld in het eerste lid blijft de vergunning van kracht zo lang op een tijdig ingediende aanvraag om verlenging niet is beslist 

Zakelijk karakter vergunning

Artikel 15 

  1. De vergunning geldt zowel voor de aanvrager als voor zijn rechtsverkrijgende. 

  2. Van de rechtsovergang geeft de rechtsverkrijgende binnen 26 weken na datum daarvan schriftelijk kennis aan burgemeester en wethouders.  

Weigering vergunning

Artikel 16  

De vergunning wordt in ieder geval geweigerd indien:  

  • het verlenen van de vergunning in strijd zou zijn met de voorschriften welke door de waterbeheerder aan de gemeente zijn gegeven, een verzoek van de gemeente tot wijziging van deze voorschriften is afgegeven en de afwijzing onherroepelijk is geworden;  

  • het rioolstelsel niet over voldoende capaciteit beschikt om de aangevraagde hoeveelheid afvalwater of afvalstoffen te kunnen lozen  

Intrekking of wijziging van vergunning

Artikel 17  

  1. De vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd:  

    1. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens blijken te zijn verstrekt;  

    2. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist;  

    3. indien de aan de vergunning verbonden voorschriften niet zijn of worden nagekomen;  

    4. indien van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijnstelling, binnen of gedurende een redelijke termijn;  

    5. indien de vergunninghouder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt;  

    6. indien de rechtsverkrijgende niet binnen de in artikel 15, tweede lid gestelde termijn van de rechtsovergang schriftelijk kennis heeft gegeven aan burgemeester en wethouders.  

  2. Een besluit tot intrekking of wijziging op grond van het eerste lid, sub a en b wordt niet genomen dan nadat de waterbeheerder in de gelegenheid is gesteld binnen een door burgemeester en wethouders te bepalen termijn hun oordeel kenbaar te maken omtrent het voornemen tot het nemen van dit besluit.  

Procedure ontheffing

Artikel 18  

Voor het verkrijgen van een ontheffing als bedoeld in artikel 2, derde lid, is het bepaalde in de artikelen 11 tot en met 17 en artikel 20 van toepassing met dien verstande dat de in artikel 11, eerste lid, genoemde termijn drie weken bedraagt.  

Bepalingen betreffende nadere voorschriften

Artikel 19  

  1. Burgemeester en kunnen voorschriften als bedoeld in artikel 5, tweede lid en artikel 8, zesde lid al dan niet voor een bepaalde termijn opleggen.  

  2. Burgemeester en wethouders kunnen, spoedeisende gevallen uitgezonderd, voorschriften niet opleggen dan nadat degene aan wie deze voorschriften zullen worden opgelegd in de gelegenheid is gesteld binnen een door burgemeester en wethouders te stellen termijn zijn oordeel hierover kenbaar te maken.  

  3. Alvorens burgemeester en wethouders op grond van artikel 5, tweede lid voorschriften opleggen, stellen zij de waterbeheerder in de gelegenheid hen daarover van advies te dienen.  

  4. Het bepaalde in de artikelen 12, 13, 15 en 17 is van overeenkomstige toepassing.  

Termijnen

Artikel 20  

Met betrekking tot de in deze verordening genoemde termijnen is het. bepaalde in de Algemene termijnwet van overeenkomstige toepassing.  

HOOFDSTUK 5 Straf-, overgangs-en slotbepalingen

Verstrekken van inlichtingen en dergelijke

Artikel 21  

Een ieder is verplicht aan de ambtenaren belast met de zorg voor de naleving van een of meer bepalingen van deze verordening alle medewerking te verlenen en op eerste vordering alle inlichtingen te verstrekken, inzage te verschaffen in bescheiden en hen in de gelegenheid te stellen daarvan afschrift te nemen, een en ander voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.  

Kennisgeving van bijzondere omstandigheden

Artikel 22  

  1. Indien  wordt vastgesteld of het vermoeden bestaat dat. door bijzondere omstandigheden zoals storing in het. productieproces afvalwater wordt geloosd of zal worden geloosd dat door samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid:

    1. gevaar, schade of hinder oplevert voor de rioolwaterzuiveringsinstallatie of enig ander werk waarop de riolering is aangesloten of voor de goede werking daarvan;  

    2. schadelijk of verontreinigend is voor het ontvangende oppervlaktewater;  

    3. gevaar, schade of hinder oplevert voor de riolering, dan wel de goede werking daarvan of voor de daarop aangeslotenen;  

    4. een nadelige invloed heeft op de verwerking van het. uit de riolering verwijderde slib, 

is degene die afvalwater op de riolering verplicht kennis te geven aan burgemeester en wethouders of een daartoe door hen aangewezen ambtenaar en onmiddellijk alle maatregelen te nemen die gevaar, schade of hinder kunnen beperken. 

  1. Burgemeester en wethouders dan wel de krachtens het lid aangewezen ambtenaar doen van de in dat lid bedoelde kennisgeving terstond melding aan de waterbeheerder, indien de bijzondere omstandigheden, als bedoeld in het. lid, onder a en b, gevaar, schade of hinder kunnen opleveren voor de rioolwaterzuiveringsinstallatie of het ontvangende oppervlaktewater.  

Strafbepaling

Artikel 23  

Overtreding van artikel 2, eerste lid, artikel 3, eerste lid, artikel 5, derde lid, artikel 6, artikel 7, artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde en zevende lid, artikel 21, artikel 22, eerste lid en de krachtens deze artikelen gegeven voorschriften wordt. gestraft met. hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.  

Opsporingsambtenaren

Artikel 24  

  1. De opsporing van de in de artikel 23 strafbaar gestelde feiten is, naast de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door burgemeester en wethouders met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast, ieder voor zover het de feiten betreft, die in de aanwijzing zijn vermeld  

  2. De krachtens het eerste lid aangewezen personen leggen in handen van de burgemeester of met machtiging van deze in handen van de chef van het korps, indien deze hoofdcommissaris of commissaris van politie is, de volgende eed of belofte af: "Ik zweer (beloof) dat ik mijn als opsporingsambtenaar met alle ijver en zonder aanzien des persoons zal vervullen Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat beloof ik)"  

 

In gemeenten met rijkspolitie luidt de bepaling als volgt:  

De krachtens het eerste lid aangewezen personen leggen in handen van de  

burgemeester de volgende eed of belofte af:  

 

"Ik zweer (beloof) dat ik mijn als opsporingsambtenaar met alle ijver en zonder aanzien des persoons zal vervullen.. Zo waarlijk helpe mi j God almachtig (Dat beloof ik)".  

Betreden dan wel binnentreden van gebouwen en terreinen

Artikel 25  

  1. Zo dikwijls de zorg voor de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde dit vereist, wordt hierbij de last verstrekt al dan niet besloten ruimten en plaatsen -woningen en schepen daaronder begrepen- desnoods tegen de wil van de rechthebbende bewoner of gebruiker, te betreden: 

    1. aan hen, die en voor zover zij door bevoegd gezag belast zijn met de uitvoering van bestuursdwang  ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening;

    2. aan hen, die en voor zover zij door het bevoegd gezag belast zijn met de toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening;  

    3. aan opsporingsambtenaren, die en voor zover zij belast zijn met de opsporing van overtredingen van het bepaalde bij of krachtens deze verordening.  

  2. De in het eerste lid bedoelde last is te allen tijde uitvoerbaar.  

  3. Voor zover de in het eerste lid bedoelde last woningen betreft, wordt deze verstrekt met. inachtneming van de Wet van 31 augustus 1853, Staatsblad 83, en uitsluitend indien de zorg voor de naleving een voorschrift betreft dat strekt tot bescherming van het leven of de gezondheid van personen,.  

  4. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet ten aanzien van de ruimten waarvan het betreden dan wel binnentreden, buiten het geval van dekking op heterdaad, voor opsporen van een strafbaar feit ingevolge het bepaalde in artikel 123 van de Wetboek van Strafvordering niet is toegestaan. 

Nemen van monsters

Artikel 26  

De in artikel 21 en artikel 24 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd de lozing van afvalwater of afvalstoffen in de riolering te meten, alsmede monsters daarvan te nemen, een en ander voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.. De resultaten van de metingen, alsmede de uitslag van het onderzoek van de monsters worden ten spoedigste ter kennis van de betrokken lozers gebracht.  

Inwerkingtreding

Artikel 27  

  1. Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij is afgekondigd.  

  2. Op dat tijdstip vervalt de Lozingsverordening riolering 1992 vastgesteld bij raadsbesluit. van 26 mei 1992 nr. 921275/2 met inbegrip van latere besluiten tot wijziging van die verordening. 

Overgangsbepaling

Artikel 28  

  1. Vergunningen en ontheffingen -hoe ook genaamd -verleend krachtens de lozingsverordening riolering van 1992 blijven -voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken -nog gedurende 2 jaren na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht,. 

  2. Algemene regels opgelegd krachtens de Lozingsverordening 1992 blijven voor zover van toepassing op categorieën inrichtingen die ook krachtens deze verordening zijn aangewezen, nog gedurende 2 jaren van toepassing 

  3. Voor zover deze verordening categorieën inrichtingen worden aangewezen op grond van artikel 3, tweede lid, die niet reeds in de Lozingsverordening 1992 waren aangewezen, gelden de nadere voorschriften als bedoeld in artikel 3, tweede lid, en artikel 5, eerste lid, pas na 2 jaren na inwerkingtreding van deze verordening.  

  4. Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de Lozingsverordening riolering 1992 blijven, voor zover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en beperkingen zijn opgelegd, ook vervat in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken, nog gedurende 2 jaren na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht  

  5. Degene als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van deze verordening is vrijgesteld van de in het eerste en tweede lid van dat artikel vervatte verplichting tot schriftelijke kennisgeving, voor zover voor de onderwerpelijke lozingen vergunning of ontheffing is verleend dan wel een kennisgeving is verricht krachtens de Lozingsverordening van 1992.  

  6. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing -hoe ook genaamd- op grond van de Lozingsverordening riolering van 1992 is ingediend en voor het. tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt. daarop de overeenkomstige bepaling van deze verordening toegepast, 

  7. Op een aanhangig beroep- of bezwaarschrift, betreffende een vergunning, ontheffing, voorschrift. of beperking, bedoeld in het eerste of vierde lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 27, eerste lid is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de Lozingsverordening riolering van 1992. 

  8. De vergunning, ontheffing, het voorschrift. of de beperking bedoeld in eerste of tweede lid blijft, onverminderd het in het eerste en tweede lid bepaalde, van kracht totdat onherroepelijk is beslist op een beroep-. of bezwaarschrift, als bedoeld in het. zevende lid..  

Aanhalingstitel

Artikel 29  

Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel "Lozingsverordening riolering 1994" 

 

Aldus besloten door de raad voornoemd in zijn vergadering van 23 november 1993  

 

                                        , voortzitter.

                                        , secretaris.

 

Lozingsverordening riolering

Lozingsverordening riolering (PDF)
Omschrijving:
Pagina 2 van de PDF heeft betrekking op een andere regeling en is hier ten onrechte opgenomen als tekst.

Toelichting op lozingsverordening

Toelichting op lozingsverordening (PDF)
Omschrijving: