Disclaimer

De informatie in dit onderdeel vormt geen bekendmaking in de zin van de Gemeentewet of de Algemene wet bestuursrecht. Alleen publicatie in Huis aan Huis, onder de kop Gemeentenieuws Oldebroek, heeft een officieel karakter.

U vindt onderstaand de geldende Algemeen Verbindende Voorschriften (verordeningen) en beleidsregels van de gemeente Oldebroek. In het onderdeel 'Concept regelgeving' vindt u de nog niet vastgestelde versies. Deze concept versies worden gebruikt tijdens de besluitvorming en hebben uitsluitend een informatief doel.

Zoeken in regelgeving

            

Beleidsregels WWB/WIJ

De Beleidsregels WWB/WIJ kunt u raadplegen onder Bijlagen.

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie Gemeente Oldebroek
Vastgesteld door college van burgemeester en wethouders
Officiële naam van de regeling Beleidsregels WWB/WIJ
Citeertitel van de regeling Beleidsregels WWB/WIJ
Onderwerp maatschappelijke zorg en welzijn
Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) Geen.
Opmerkingen m.b.t. de regeling Geen.
Betreft (aard van de wijziging) nieuwe regeling
Datum uitwerkingtreding
Datum inwerkingtreding 01-11-2010
Terugwerkende kracht (t/m)
Datum ondertekening 02-11-2010
Bron bekendmaking Huis aan Huis, 09-11-2010
Kenmerk voorstel Onbekend.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Datum uitwerkingtreding Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
01-11-2010 nieuwe regeling 02-11-2010
Huis aan Huis, 09-11-2010
Onbekend.

Inleiding

In § 3.4 van de de Wet werk en bijstand (WWB) wordt bij een aantal artikelen aan het college van burgemeester en wethouders de beleidsvrijheid gegeven voor de invulling hiervan. Een groot deel van deze bepalingen zijn ook van toepassing op de Wet investeren in jongeren (WIJ, artikel 7). Sinds de inwerkingtreding van de WWB heeft de gemeente Oldebroek geen afzonderlijke beleidsregels geformuleerd. Op basis van individualisering werd uitvoering gegeven aan de zogenaamde ´kan´-bepalingen in de wet. Daarnaast werd er gebruik gemaakt van ´ongeschreven´ beleid. Beleid wat bijvoorbeeld onder de Algemene bijstandswet (Abw) gebruikt werd.

Om op een eenduidige manier te werk te gaan en voor een vereenvoudiging van de uitvoering binnen het klantmanagement zijn de volgende beleidsregels opgesteld. In hoofdstuk 1 komt het onderwerp inkomen aan bod. In hoofdstuk 2 wordt nader ingegaan op het vermogen en in het laatste hoofdstuk worden een aantal algemene bepalingen ingevuld. Deze beleidsregels zijn eveneens van toepassing op de Wet investeren in jongeren (WIJ) conform artikel 7 WIJ.

Hoofdstuk 1        Inkomen

1.1        Vrijlaten van inkomsten op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel o WWB

Op grond van dit artikel kunnen de inkomsten uit arbeid gedurende ten hoogste zes aaneengesloten arbeid tot 25% van deze inkomsten, met een maximum van € 187,- (peil 2010) per maand, niet tot de middelen worden gerekend. Dit, voor zover de belanghebbende algemene bijstand ontvangt en de inkomsten bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling.

 

Gemeentelijk beleid

In artikel 20 lid 2 van de Verordening tot wijziging van de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2008 is aangegeven dat deeltijdwerk geacht wordt bij te dragen aan arbeidsinschakeling. Uit een uitspraak van de CRvB (1) van 27 april 2010 blijkt dat het college voorwaarden kan stellen aan de duurzaamheid van de arbeidsovereenkomst.

Met betrekking tot de duurzaamheid zal de belanghebbende in ieder geval een arbeidsovereenkomst aangegaan moeten zijn van ten minste zes maanden. De vrijlating is gedurende een aangesloten periode van bijstandsverlening slechts één keer toegestaan.

1.2        Korten inkomsten in verband met kamerhuur/kostgangers

De middelen ontvangen vanwege huur, onderhuur of het hebben van kostgangers gelden op grond van artikel 32 lid 1 WWB als inkomen. In artikel 33 lid 4 WWB wordt aangegeven dat als de belanghebbende een woning bewoont met een of meer huurders, onderhuurders of kostgangers, de daaruit voortvloeiende lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan als inkomen in aanmerking worden genomen voorzover daarmee nog geen rekening is gehouden door middel van de toeslagenverordening

 

Gemeentelijk beleid

Op grond van de toeslagenverordening (artikel 25 en 26 WWB) leidt het delen van een woning met anderen tot een lagere toeslag voor een alleenstaande (ouder) of tot een verlaging voor gehuwden. De werkelijke inkomsten worden buiten beschouwing gelaten. Dit vereenvoudigt de uitvoering.

 

Alleen als de inkomsten uit (onder)huur of kostgeld veel hoger zijn, wordt hier wel rekening mee gehouden. Onder veel hoger wordt minimaal de maximaal te verstrekken toeslag verstaan.

De werkelijke inkomsten worden dan gekort op basis van artikel 19 en 32 WWB. Wel wordt hierbij rekening gehouden met de lagere toeslag of de verlaging die op basis van de toeslagenverordening wordt toegepast.

Als een belanghebbende de woning deelt met meerdere huurders, onderhuurders of kostgangers, kan de vraag zich voordoen of er sprake is van bedrijfsmatige activiteiten. In dat geval is het Bbz 2004 op hem van toepassing. Onderzocht moet of belanghebbende voldoet aan de criteria van artikel 1 onderdeel b Bbz 2004.

1.3        Vrijlaten giften

Artikel 31 lid 2 onderdeel m WWB bepaalt dat giften en andere dan de in artikel 31 lid 2 onderdeel l WWB bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade niet tot de middelen van belanghebbende worden gerekend, voorzover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.

 

Gemeentelijk beleid

1.     Immateriële schadevergoeding

Andere dan de in artikel 31 lid 2 onderdeel l WWB bedoelde uitkeringen en vergoedingen voor immateriële schade worden niet als midden (inkomen of vermogen) in aanmerking genomen. Het komt voor dat in een dergelijke vergoeding een component is opgenomen voor loonderving. Het loondervingsdeel wordt wel bij de middelentoets betrokken. Periodieke vergoedingen worden als inkomen gezien en een éénmalige vergoeding geldt als vermogen.

 

2.     Materiële schadevergoeding

Andere dan de in artikel 31 lid 2 onderdeel l WWB bedoelde uitkeringen en vergoedingen voor materiële schade worden niet als middelen (inkomen of vermogen) in aanmerkingen genomen, tenzij:

met hetzelfde doel bijstand is verstrekt of hiervoor later bijstand wordt gevraagd en/of;

betrokkene de ontvangen vergoeding niet heeft besteed voor het wegnemen van de geleden schade. Als iemand slechts een deel van de vergoeding heeft aangewend voor het wegnemen van de schade wordt het niet benutte deel als middelen gezien.

 

3.     Giften

Er zal steeds individueel beoordeeld moeten worden in hoeverre een gift buiten beschouwing kan worden gelaten. Als het gaat om de hoogte van de gift, moet bezien worden of dit leidt tot een bestedingsniveau dat niet mee in overeenstemming is met hetgeen op bijstandsniveau gebruikelijk is (bijvoorbeeld wanneer de belanghebbende maandelijks een gift van € 450,- ontvangt). Gaat het om de bestemming van gift, dan zal bij een specifieke bestemming (bijvoorbeeld studiekosten of schulden) de vrijlating eerder in de rede liggen dan wanneer deze betrekking heeft op de algemeen noodzakelijk kosten van het bestaan (levensonderhoud).

1.4        Ex-partner betaalt woonkosten

Het recht op en de hoogte van de bijstand is afhankelijk van de eigen middelen van belanghebbende (artikel 19 WWB). Op grond van artikel 31 lid 1 WWB gelden als middelen alle inkomens- en vermogensbestanddelen waarover belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Het college moet op basis van artikel 32 WWB het inkomen vaststellen. Als het inkomen in natura in aanmerking wordt genomen, wordt de waarde daarvan vastgesteld op de daaruit voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan (artikel 33 lid 1 WWB).

 

Gemeentelijk beleid

Als niet de belanghebbende zelf de woonkosten betaalt, maar iemand anders (bijvoorbeeld de ex-partner) wordt hiermee bij de inkomenstoets geen rekening gehouden (artikel 33 lid WWB). In een voorkomend geval wordt de bijstand namelijk al op grond van artikel 27 WWB lager vastgesteld.

 

In de toeslagenverordening wordt er in een dergelijke situatie vanuit gegaan dat iemand een woning bewoont waarvoor geen woonkosten verschuldigd zijn. In een dergelijke situatie wordt er een verlaging toegepast op de bijstandsnorm (en eventueel toegekende toeslag) van 20% van de gehuwdennorm.

1.5        Korten voorlopige teruggave

Op grond van artikel 19 lid 2 WWB is de hoogte van de bijstandsuitkering het verschil tussen het inkomen en de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Artikel 31 lid 1 WWB jo. artikel 32 lid 1 onderdeel a WWB bepaalt dat een teruggave en een voorlopige teruggave van inkomstenbelasting in verband met de toepasselijke heffingskorting van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting geldt als inkomen.

 

Gemeentelijk beleid

Ontvangen bedragen aan teruggave worden gekort, voorzover deze betrekking hebben op een periode waarin bijstand wordt verleend.

 

Als het aannemelijk is dat belanghebbende in aanmerking komt voor een voorlopige teruggave in verband met de heffingskorting wordt hem op grond van artikel 55 WWB de verplichting opgelegd deze bij de belastingdienst aan te vragen. Aan de belanghebbende wordt een redelijke termijn gesteld, waarbinnen hij de heffingskorting aangevraagd heeft en de beschikking heeft ingeleverd bij de gemeente. Laat hij dit na, dan wordt het bedrag waarop hij redelijkerwijs recht heeft gekort.

 

Op grond van artikel 31 lid 2 onder c worden de jonggehandicaptenkorting en, voor alleenstaande ouders van wie het jongste kind jonger dan vijf jaar is, de aanvullende alleenstaande ouderkorting, de inkomensafhankelijk combinatiekorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend.

Hoofdstuk 2        Vermogen

2.1        Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling

Op grond van artikel 34 lid 1 onderdeel a WWB vormt de waarde van bezittingen waarover de belanghebbende of diens gezin beschikt een bestanddeel van het vermogen. De CRvB (2) heeft het echter geoorloofd geacht dat het college het positief saldo van een betaalrekening (= lopende rekening) niet geheel in aanmerking neemt vanwege lopende kosten.

 

Gemeentelijk beleid

Van het saldo op de lopende rekening wordt bij de aanvraag om bijstand en heronderzoeken geen bedrag vrijgelaten in verband met lopende uitgaven. Een negatief saldo op de lopende rekening moet als schuld worden aangemerkt en telt daarom mee bij de vaststelling van het vermogen.

2.2        Waarde auto bij vermogensvaststelling

Op grond van artikel 34 lid 2 onderdeel a WWB worden niet alleen bezittingen in natura die, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin noodzakelijk zijn, maar ook bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn, niet als vermogen aangemerkt. In deze richtlijn wordt aangegeven of een auto, al dan niet tot een bepaald bedrag, als algemeen gebruikelijk goed wordt aanmerkt en hoe de waarde van een auto wordt vastgesteld.

 

Gemeentelijk beleid

1.     Noodzakelijk

Het zijn dat het bezit van een auto noodzakelijk is. Meestal gaat het dan om medische aangelegenheden. Het bekendste voorbeeld hiervan is het autobusje ten behoeve van een gehandicapt familielid met grijs kenteken. Het is redelijk de auto buiten de vermogensopstelling te laten, ook als de waarde groter is dan algemeen gebruikelijk. De noodzaak kan worden aangetoond door middel van een indicatie op grond van de Wmo.

 

2.     Bouwjaar auto

Een auto wordt niet meegenomen in de vermogensvaststelling als de auto bij de vermogensvaststelling ouder is dan 10 jaar. Aangenomen wordt dat de waarde op dat moment nihil is. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als er aantoonbare verschillen zijn en de auto naar verwachting nog over een redelijke waarde beschikt. De waarde wordt dan vastgesteld volgens de richtlijn zoals genoemd in punt 3.

 

3.     Vaststelling van de waarde van een auto jonger dan 10 jaar of ouder dan 10 jaar met naar verwachting waarde:

-     Algemeen gebruikelijk

Een auto (3) met een beperkte waarde geldt als algemeen gebruikelijk bezit. Een auto met een waarde tot maximaal € 2.269,00 (4) geldt als algemeen gebruikelijk. Als de waarde meer bedraagt dan dit bedrag, wordt alleen het meerdere in aanmerking genomen als vermogen. Dit meerdere kan vallen binnen de grenzen van het bescheiden vermogen. Dus een hogere waarde hoeft niet te leiden tot verkoop van de auto.

Als de waarde van auto een waarde heeft die uitgaat boven € 2.269,00 plus het vrij te laten vermogen, zal de belanghebbende voorafgaand aan de bijstandsverlening moeten interen.

Een caravan, camper of plezierboot zijn vanwege hun aard niet algemeen gebruikelijk en worden volledig meegenomen in de vermogensvaststelling.

 

-     Waardebepaling

De waarde van de auto wordt vastgesteld aan de hand van de site www.autoweek.nl (of een vergelijkbare site). Hier kunnen de prijzen van vergelijkbare auto´s per bouwjaar worden gevonden. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken als er aantoonbare verschillen zijn (bijvoorbeeld als er sprake is van een schade-auto of oldtimer).

De schulden die aangegaan zijn voor de aanschaf van een auto moeten worden verrekend met de vastgestelde waarde.

2.3        Spaarloon

Met betrekking tot het spaarloon moet bepaald worden of het inkomen of vermogen is en of erover beschikt kan worden in de zin van artikel 31 lid 1 WWB.

 

Gemeentelijk beleid

In het kader van de verlening van bijstand wordt als het volgt omgegaan met een spaarloonregeling:

Bij de vermogensvaststelling bij aanvang van de bijstand wordt 66,55% (= gedeelte van het loon dat anders ter beschikking van belanghebbende zou zijn gekomen; percentage per 1 januari 2010) van het geblokkeerde spaarloon als vermogen aangemerkt waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken.

 

(Al voor aanvang van de bijstand vrijgevallen spaarloongelden worden op grond van artikel 34 lid 1 onderdeel a WWB in het geheel meegeteld bij de vermogensvaststelling).

Spaarloon dat tijdens de bijstandsverlening wordt gedeblokkeerd, wordt volledig vrijgelaten bij de inkomens- en vermogenstoets.

Ontvangen rente over spaarloon wordt vrijgelaten op grond van artikel 34, lid 1 onderdeel c van de WWB.

Als de belanghebbende bijstand ontvangt ter aanvulling op zijn loon, dan moet voor wat betreft de inkomstenkorting uitgegaan worden van het loon dat de belanghebbende zou ontvangen als hij niet aan de spaarloonregeling zou deelnemen. Hiertoe moet hij een aparte loonspecificatie van zijn werkgever overleggen. Als de belanghebbende dit niet kan of wil, wordt van het spaarbedrag 66,55% wel, en 33,45% (percentages per 1 januari 2010) niet tot het inkomen gerekend.

Bij een aanvraag voor bijzondere bijstand wordt eveneens uitgegaan van het inkomen dat belanghebbende zou ontvangen, als hij niet aan de spaarloonregeling zou deelnemen.

2.4        Vermogensvaststelling bij echtscheiding/verlating

Op grond van artikel 34 WWB moet het vermogen bij aanvang van de bijstand worden vastgesteld. De vermogensvaststelling is bij een echtscheiding of verlating niet altijd even gemakkelijk, omdat op het moment van aanvang van de bijstand de boedel nog niet verdeeld is.

 

Gemeentelijk beleid

Uitgangspunt is dat het vermogen wordt vastgesteld bij aanvang van de bijstand. In één situatie kan worden afgeweken van deze hoofdregel:

  1. 1.de aanvrager is verwikkeld in een echtscheidingsprocedure of er is sprake van verlating, en;

  2. 2.de aanvrager kan op het moment van de aanvraag slechts beschikken over een vermogen dat minder is dan de toepasselijke vermogensgrens.

In dat geval kan worden gewacht met de vermogensvaststelling totdat de boedelscheiding een feit is.

Het vermogen wordt dan voorlopig vastgesteld op het vermogen waarover belanghebbende op het moment van de aanvraag kan beschikken. In de toekenningsbeschikking wordt aangegeven dat:

 

het vermogen voorlopig is vastgesteld en dat

 

na afwikkeling van de echt- en boedelscheiding het vermogen definitief wordt vastgesteld en dat

 

bij overschrijding van het vrij te laten vermogen, de te veel betaalde bijstand zal worden teruggevorderd met toepassing van artikel 58, lid 1 onderdeel f van de WWB.

 

 

De teveel verstrekte bijstand moet, op het moment dat over het vermogen beschikt kan worden, in één keer worden terugbetaald.

2.5        Vermogen ontvangen voor de aanvraag voor bijstand

De situatie kan zich voordoen dat een belanghebbende in de periode voorafgaand aan de aanvraag voor bijstand vermogen boven het vrij te laten vermogen heeft ontvangen en op het moment van de aanvraag hier niet meer over beschikt (bijvoorbeeld in verband met de verkoop van een woning en de hieruit ontvangen overwaarde).

 

Gemeentelijk beleid

Van belang is om na te gaan wanneer een belanghebbende redelijkerwijs heeft kunnen weten dat hij bijstandsbehoevend zou worden. In het geval dat een belanghebbende voorafgaande aan een aanvraag werkloos was en een WW-uitkering heeft ontvangen, wist de belanghebbende dat, als herintreden niet lukt, hij op enig moment bijstandbehoevend zou worden.

 

Afhankelijk van de hoogte van het op dat moment (toekenning van de WW-uitkering) resterende bedrag zal moeten worden beoordeeld of het vermogen met het zicht op bijstandbehoefte verantwoord is besteed/ingeteerd. Niet mag uit het oog worden verloren dat bijvoorbeeld na een echtscheiding normaliter behoefte bestaat aan (gedeeltelijke) herinrichting. Het toebedeelde vermogen kan hieraan zijn besteed. Als een belangrijk deel van het vermogen evenwel op is gegaan in de periode waarin belanghebbende wist of kon weten dat hij mogelijk een beroep moest gaan doen op bijstand (afhankelijk van de duur van de WW en uitzicht op herintredingsmogelijkheden), dan moet worden beoordeeld of het vermogen in die periode verantwoord is ingeteerd. Als hierop bevestigend kan worden geantwoord heeft belanghebbende normaal recht op bijstand. Is evenwel onverantwoord ingeteerd, dan wel is onduidelijk waaraan het vermogen kort voor de bijstand is opgegaan, dan moet worden beoordeeld of de bijstand moet worden verlaagd, overeenkomstig de maatregelenverordening, dan wel of de bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt op grond van artikel 48 WWB.

2.6        Reservering uitvaartkosten bij vermogensvaststelling

Er is geen juridische grondslag waarop het college de vermogensgrens voor belanghebbende kan verhogen met een bedrag aan reserveringen voor begrafenis- of crematiekosten.

 

Gemeentelijk beleid

Uitvaartverzekeringen moeten evenals levensverzekeringen, koopsompolissen etc., voor zover als zij te gelde gemaakt kunnen worden, op grond van artikel 31 lid 1 WWB als middel in aanmerking te worden genomen. Het is niet mogelijk om de toepasselijke vermogensgrens te verhogen door vermogen met een bepaalde bestemming buiten beschouwing te laten.

 

Bij uitvaartverzekeringen die uitkeren in natura door de uitvaart te verzorgen (geldstorting in depot bij een begrafenisondernemer of verzekeringsmaatschappij), kan het mogelijk zijn dat belanghebbende niet redelijkerwijs over dit geld beschikken. Afkopen is vaak uitgesloten, zodat deze verzekering (geld in depot) in het algemeen niet tot de middelen gerekend kan worden op grond van artikel 31 lid 1 WWB.  In die zin wordt het vermogen in depot bij een begrafenisondernemer of verzekeringsmaatschappij buiten beschouwing gelaten als het geld niet tussentijds opeisbaar is.

 

Let op: in het geval belanghebbende wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij op korte termijn aangewezen zou raken op een bijstandsuitkering en hij vermogen steekt in een uitvaartverzekering of een afkoopbare uitvaartverzekering omzet in een niet-afkoopbare kan hem een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid worden verweten, voorzover hij hierdoor eerder op bijstand is aangewezen.  In dat geval kan het college op grond van artikel 18 lid 2 WWB de bijstand verlagen.

2.7        Vaststellen vermogen bij overname cliënt uit andere gemeente

Artikel 40 lid 1 WWB bepaalt dat het recht op bijstand geldt tegenover het college van de gemeente waar belanghebbende woonplaats heeft. Daardoor moet bij verhuizing naar een andere gemeente de bijstandsuitkering in de oude gemeente beëindigd worden en kan er een nieuwe aanvraag ingediend worden bij het college van de nieuwe gemeente.

 

Gemeentelijk beleid

Bij een nieuwe aanvraag moeten het vermogen en de toepasselijke vermogensgrens opnieuw worden vastgesteld. Maar er zijn omstandigheden denkbaar op grond waarvan in een individueel geval kan worden afgeweken van deze beleidslijn. Dit is bijvoorbeeld aan de orde, als de belanghebbende:

beschikt over een vermogen groter dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, zoals opgenomen in artikel 34, lid 3 van de WWB, en;

deze "vermogensoverschrijding" is ontstaan door besparingen, als bedoeld in artikel 34 lid 2 onderdeel c WWB én ontvangen rente (artikel 31 lid onderdeel i van de WWB).

Het is dan niet rechtvaardig om geen rekening te houden met de wijze waarop het vermogen is ontstaan. In voornoemd geval wordt afgezien van het (opnieuw) vaststellen van het vermogen en wordt de  vermogensvaststelling van de vorige gemeente overgenomen, inclusief de hoogte van de toepasselijke vermogensgrens.

 

Het is aan de belanghebbende om, als hij stelt dat het college één of meer van zijn vermogensbestanddelen op grond van bovenstaande buiten beschouwing moet laten, aan het college dusdanige inlichtingen te verstrekken dat het college de herkomst van bedoelde vermogensbestanddelen kan beoordelen.

2.8        Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm

Op grond van artikel 34 WWB moet het college het vermogen vaststellen bij aanvang van de bijstandsverlening. De wetgever heeft geen regels vastgesteld over de vaststelling van het vermogen bij wijziging van de leefvorm. Wel is duidelijk dat op grond van artikel 34 lid 3 WWB de toepasselijke vermogensgrens kan veranderen.

 

Gemeentelijk beleid

Het vermogen wordt niet opnieuw vastgesteld in de volgende gevallen, omdat dit reeds eerder is vastgesteld en daarom bekend is:

een alleenstaande wordt alleenstaande ouder door de geboorte van een kind (het vrij te laten vermogen wijzigt wel).

 

Het vermogen wordt wel opnieuw vastgesteld in de volgende gevallen, omdat de wijziging in de gezinssituatie gevolgen heeft voor het vermogen:

twee personen met een bijstandsuitkering gaan samenwonen

een alleenstaande ouder wordt alleenstaande (jongste kind wordt 18 jaar).

gehuwden met een bijstandsuitkering gaan uit elkaar.

 

De hoogte van de vermogensgrens is gelijk aan de actuele vermogensgrens die geldt voor de nieuwe leefvorm van de belanghebbende (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden).

 

Stel het vermogen opnieuw vast (bezittingen minus schulden). Voorkom daarbij onrechtvaardigheden en houd daarom in ieder geval rekening met het volgende: Het deel van het vermogen dat is ontstaan tijdens de bijstandsperiode door ontvangen rente en besparingen dient gelet op de vrijlatingsbepalingen buiten beschouwing te blijven.

 

Bij alleenstaande ouders die alleenstaanden worden is het onder omstandigheden aanvaardbaar dat een deel van het vermogen wordt overgedragen aan de (niet meer ten laste komende) kinderen waardoor het vermogen van de bijstandsgerechtigde alleenstaande lager wordt. Maak van deze mogelijkheid gebruik als bij de oorspronkelijke vermogensvaststelling rekening is gehouden met vermogensbestanddelen van ten laste komende kinderen. De systematiek van de WWB schrijft dit immers voor als de kinderen tot het gezin behoren. Een redelijke wetstoepassing brengt echter met zich mee dat zodra de betreffende kinderen de leeftijd van 18 jaar bereiken (en dus niet langer tot het gezin in de zin van de WWB behoren) bij de vermogensvaststelling van de ouder niet langer rekening wordt gehouden met de vermogensbestanddelen van die kinderen. Dit is slechts dan anders indien er voorafgaande aan de bijstandsverlening een vermogensoverheveling heeft plaatsgevonden van de ouder naar de kinderen met als kennelijk doel om het recht op bijstand (langer) te waarborgen.

 

Voorbeeld

Mevrouw Peters vraagt op 1 december 2008 bijstand aan. Op die dag wordt haar zoon Kees 12 jaar. Mevrouw Peters heeft een spaarrekening met € 3.630,24. Het saldo van de spaarrekening van zoon Kees bedraagt € 2.268,90. Mevrouw Peters krijgt een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder. Haar vermogen wordt vastgesteld op € 5.899,14 (de som van de saldi op de beide spaarrekeningen).

 

Op 1 december 2014 wordt Kees 18 jaar. Mevrouw Peters wordt vanaf die datum aangemerkt als alleenstaande. Op grond van bovenstaande regels geldt dat de toepasselijke vermogensgrens wijzigt in de actuele vermogensgrens voor een alleenstaande: € 5.325,-- (bedrag geldt per 1 juli 2008). De banksaldi zijn nog steeds aanwezig dus de hoogte van vermogen blijft in beginsel gelijk, namelijk € 5.899,14. Gevolg is dat er sprake is van een vermogensoverschot dat mevrouw Peters zou moeten interen. Echter, het is redelijk om het vermogen van mevrouw Peters te verlagen met € 2.268,90. Dit bedrag komt immers toe aan zoon Kees, want het stond bij aanvang van de bijstandsverlening op zijn spaarrekening. Het vermogen van mevrouw Peters bedraagt daarom € 3.630,24 en blijft onder de (nieuwe) van toepassing zijnde vermogensgrens. Interen is nu niet nodig.

2.9        Vermogensvaststelling gedurende de periode van bijstandsverlening

Er bestaat op grond van artikel 19 lid 1, aanhef en onderdeel b WWB geen recht op algemene bijstand als er in aanmerking te nemen vermogen is. Wat vermogen is wordt gedefinieerd in artikel 34 lid 1 WWB.

 

Gemeentelijk beleid

Om praktische redenen wordt het vermogen tijdens de verlening van algemene bijstand als volgt vastgesteld:

 

Vermogenssaldo bij vorige vaststelling (bij aanvang van de bijstand of vorig (her)onderzoek)

+      Ontvangsten sinds de vorige vaststelling (na aftrek van vrijlatingen)

+      Waardevermeerdering van bezittingen

+      Aflossing van schulden sinds de vorige vaststelling

+      Kwijtschelding van schulden sinds de vorige vaststelling

-      Nieuwe schulden sinds de vorige vaststelling

-      Waardevermindering van bezittingen (m.u.v. bestedingen)

======================================================

Nieuw vermogenssaldo

 

Gevolgen van vermogensmutaties.

Als het nieuwe vermogenssaldo lager is dan de actuele van toepassing zijnde vermogensgrens bestaat er recht op algemene bijstand (artikel 34 lid 3 WWB, zie ook B4.3.7.2 van het handboek ). (5) Is het nieuwe vermogenssaldo daarentegen hoger dan de vermogensgrens, dan moet het college de algemene bijstand beëindigen. Belanghebbende zal zijn vermogensoverschot moeten interen voordat er weer recht op algemene bijstand ontstaat (zie B4.3.10).

 

Ontvangsten sinds de vorige vaststelling

Als de belanghebbende tijdens de bijstandsverlening vermogen ontvangt, dan moet het college dit ontvangen vermogen meenemen bij het bepalen van het nieuwe vermogenssaldo, voor zover dit niet is vrijgelaten. Belangrijke voorbeelden van ontvangen vermogen zijn:

Het ontvangen van een gift die niet geheel of gedeeltelijk wordt vrijgelaten (zie over een eventuele vrijlating hiervan ook B4.1.3.12);

Het ontvangen van een erfenis;

Het ontvangen van een uitkering volgens een (levens)verzekering (6);

Het winnen van een prijs.

 

Zie over vrijgelaten vermogen ook  B4.3.7 en B4.3.8.

 

Aflossing en kwijtschelding van schulden.

Schulden worden bij de vaststelling van het vermogen alleen meegenomen als het feitelijk bestaan ervan aannemelijk is en er een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting aan vast zit (zie B4.3.5.1). In bovenstaande systematiek leiden schulden per saldo tot een verhoging van de vermogensvrijlating. Keerzijde van de medaille is dat aflossing en kwijtschelding van schulden leidt tot een hoger vermogen en daarmee tot een lager restant van de vermogensvrijlating. Het niet meenemen van aflossing en kwijtschelding van schulden zou belanghebbenden met schulden blijvend bevoordelen ten opzichte van belanghebbenden zonder schulden. Dit is onrechtvaardig en niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever.

 

Als schulden worden afgelost met ontvangsten van vermogen, dan leidt de aflossing niet tot een hoger vermogen. Immers, de ontvangsten worden ook al meegeteld bij de vaststelling van het nieuwe vermogenssaldo. Het daarnaast meetellen van de aflossing zou een dubbeltelling betekenen.

 

Nieuwe schulden sinds de vorige vaststelling

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat er in de WWB, mede op grond van jurisprudentie over de Algemene bijstandswet, voor gekozen is om rekening te houden met schulden ongeacht of die bij aanvang van de bijstand aanwezig zijn, dan wel tijdens de bijstandsverlening zijn ontstaan (7). Door in bovenstaande systematiek bij de bepaling van het vermogenssaldo tijdens de bijstand nieuwe schulden (d.w.z. schulden die na aanvang van de bijstandsverlening zijn ontstaan) in mindering te brengen op het vorige vermogenssaldo wordt bereikt dat schulden die tijdens de bijstandsverlening ontstaan exact hetzelfde effect hebben op het vermogenssaldo (en daarmee op het recht op bijstand) als schulden die reeds bij aanvang bestaan.

 

Besteding/interen

Besteding van/interen op contant geld of geld dat op bank- en spaarrekeningen staat heeft tijdens de bijstand geen invloed op het vermogenssaldo. Met andere woorden: een daling van het banksaldo na aanvang van de bijstand leidt niet tot een daling van het vermogen (8).

 

Waardevermindering en waardevermeerdering van bezittingen

Zaken die tijdens de bijstandsverlening in waarde verminderen (     bijvoorbeeld auto´s) of vermeerderen (bijvoorbeeld aandelen) leiden tot een wijziging van het vermogenssaldo. Dit kan worden afgeleid uit CRvB 27-08-2002, nr. 99/6249 NABW en CRvB 24-05-2005, nr. 03/4946 NABW. Het betreft hier weliswaar uitspraken met betrekking tot de Abw, maar de WWB is op de punten waar de CRvB zijn uitspraken op baseert gelijkduidend aan de Abw. Opgemerkt moet worden dat in TK 2002-2003, nr. 13, 9 167-168 het aspect waardevermindering kort aan de orde komt, maar daarbij wordt verwezen naar het interen (zie vorige alinea). Dit is te weinig concreet om te stellen dat aan voornoemde uitspraak voor de toepassing van de WWB geen betekenis meer toekomt.

 

Negatief vermogenssaldo

De vaststelling van het vermogen gebeurt zowel bij aanvang als tijdens de bijstandsverlening door het maken van een optelsom van positieve en negatieve vermogensbestanddelen. Als de negatieve bestanddelen groter zijn dan de positieve is de uitkomst negatief. Een negatief vermogenssaldo is dus gewoon mogelijk. Het kan het beste worden vergeleken met een negatief banksaldo. Een negatief vermogenssaldo betekent dat er recht op bijstand blijft bestaan zolang de som van de vermogensmutaties kleiner is dan het verschil tussen het negatieve vermogen en de toepasselijke actuele vermogensgrens. Zie ook de volgende voorbeelden.

 

Rapportage en beschikking

Uit de rapportage zal moeten blijken op welke wijze het vermogenssaldo is vastgesteld. Daartoe zal de berekening opgenomen moet worden onder verwijzing naar bewijsstukken.

Als het vermogenssaldo lager is dan de toepasselijke actuele vermogensgrens bestaat er recht op bijstand. In de beschikking kan dan worden volstaan met vermelding van het vermogenssaldo en de van toepassing zijnde vermogensgrens. Een weergave van de vermogensberekening kan achterwege blijven aangezien het college vaststelt dat er recht op bijstand bestaat. Pas als als gevolg van vermogensmutaties het vermogenssaldo boven de vermogensgrens uitkomt, zal het college inzage moeten geven in de wijze waarop het vermogenssaldo berekend is.

 

Voorbeeld 1

Bij aanvang van de algemene bijstand bedraagt het vermogen van het gezin Jakobse € 4.500,-, opgebouwd uit een auto van € 3.500,- en een spaarrekening met een saldo van € 1.000,-. De toepasselijke vermogensgrens bedraagt bij aanvang € 9.950,-.

Omdat het vermogen onder de toepasselijke vermogensgrens ligt (en er is ook voldaan aan de overige wettelijke voorwaarden) bestaat er recht op algemene bijstand.

Na een jaar ontvangt het gezin een erfenis van € 9.000,-. De actuele vermogensgrens bedraagt inmiddels

€ 10.250,-. De vermogensmutatie tijdens de bijstand is € 9.000,-. De som van het vermogenssaldo bij aanvang van de bijstand en de vermogensmutatie tijdens de bijstand bedraagt € 13.500,- (€ 4.500,- plus

 € 9.000,-). Dit bedrag is hoger dan de actuele vermogensgrens. Het college moet de algemene bijstand beëindigen.

 

Voorbeeld 2

Bij aanvang van de bijstand bedraagt het vermogen van het gezin Jakobse € 4.500,-, opgebouwd uit een auto van € 3.500,- en een spaarrekening met een saldo van € 1.000,-. De toepasselijke vermogensgrens bedraagt bij aanvang € 9.950--.

Omdat het vermogen onder de toepasselijke vermogensgrens ligt (en er is ook voldaan aan de overige wettelijke voorwaarden) bestaat er recht op algemene bijstand.

Na een jaar ontvangt het gezin een erfenis van € 9.000,-. Bovendien is er een schuld ontstaan van € 6.000,. De actuele vermogensgrens bedraagt inmiddels € 10.250,-. De vermogensmutatie tijdens de bijstand bedraagt € 3.000,- (€ 9.000,- minus € 6.000,-). De som van het vermogenssaldo bij aanvang van de bijstand en de vermogensmutatie tijdens de bijstand bedraagt € 7.500,- (€ 4.500,- plus € 3.000,-). Dit bedrag is lager dan de actuele vermogensgrens. Er bestaat nog steeds recht op algemene bijstand. Het restant van het vrij te laten vermogen bedraagt € 10.250,- minus € 7.500,- = € 2.750,-.

 

Voorbeeld 3

Bij aanvang van de bijstand bedragen de schulden van het gezin Jacobse meer dan de bezittingen. Er is een negatief vermogen van € 20.000,-. Het vrij te laten vermogen wordt niet aangesproken.

Omdat het vermogen onder de toepasselijke vermogensgrens ligt (en er is ook voldaan aan de overige wettelijke voorwaarden) bestaat er recht op algemene bijstand.

Na een jaar ontvangt het gezin een erfenis van € 25.000,-. De actuele vermogensgrens bedraagt op dat moment € 10.250,-. De vermogensmutatie tijdens de bijstand bedraagt € 25.000,-. De som van het vermogenssaldo bij aanvang van de bijstand en de vermogensmutatie tijdens de bijstand bedraagt

€ 5.000,- (- € 20.000,- plus € 25.000,-). Dit bedrag is lager dan de actuele vermogensgrens. Er bestaat nog steeds recht op algemene bijstand. Het restant van het vrij te laten vermogen bedraagt € 10.250,- minus

 € 5.000,- = € 5.250,-.

 

De in de voorbeelden genoemde bedragen zijn enkel ter illustratie.

 

Verantwoording systematiek

Bovenstaande systematiek betreft een op de praktijk toegesneden uitleg van artikel 34 WWB. Formeel gesproken is er echter sprake van strijd met de wet. Maar de wet en parlementaire geschiedenis spreken elkaar meermaals tegen. De gekozen systematiek probeert zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bedoeling van de wetgever, in het bijzonder ten aanzien van de beoogde omgang met schulden die zijn ontstaan na aanvang van de bijstandsverlening.

Hoofdstuk 3        Algemene bijstand

3.1        Berekening bijstandsnorm bij co-ouderschap

In de praktijk van de bijstandsverlening komt het steeds vaker voor, dat de ouderlijke macht na echtscheiding in stand blijft (co-ouderschap) en dat beide ouders afspraken maken over (de duur van) het verblijf van de kinderen bij elk van de ouders.

De WWB voorziet hier eigenlijk niet in: moeder is gedurende een gedeelte van de week alleenstaande. Voor het resterende gedeelte vormt zij een huishouden met een kind. In een dergelijk situatie kan geen ouder worden aangemerkt als een alleenstaande ouder in de zin van de wet.

 

Gemeentelijk beleid

Op verzoek van beide ouders kan bij co-ouderschap de norm individualiserend worden vastgesteld. De hoogte van de afwijkende norm is afhankelijk van de feitelijke zorgverdeling m.b.t. de kinderen. Hierbij zijn een drietal situaties mogelijk, te weten:

  1. 1.Allebei de ouders ontvangen de norm voor een alleenstaande ouder; Deze uitkeringsnorm is alleen mogelijk als beide ouders - ieder afzonderlijk - voor elk van hem of haar ten laste komend kind, kinderbijslag aanvraagt, zodat bekend is wie welk(e) kind(eren) onderhoudt.

  2. 2.Allebei de ouders ontvangen de norm voor een alleenstaande, verhoogd met voor beiden een evenredig deel van het verschil tussen de alleenstaanden-norm en de norm voor een alleenstaande ouder; De evenredigheid houdt in, evenredig aan het gedeelte van de week dat men de verzorging heeft van het kind of de kinderen. Bijvoorbeeld: het kind verblijft 4 dagen in de week bij betrokkene. Berekening norm: 4/7 x (rijks)norm alleenstaande ouder + 3/7 x (rijks)norm alleenstaande.

  3. 3.Een van de ouders ontvangt bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder en de andere ouder naar de norm voor een alleenstaande. De ouders maken onderling uit wie aangemerkt moet worden als verzorgend ouder. Deze ouder komt in aanmerking voor de norm voor een alleenstaande ouder. De andere ouder ontvangt uitkering naar de norm voor een alleenstaande. Door de ouders is geen regeling getroffen. De norm alleenstaande ouder wordt dan toegekend aan die ouder, die de kinderbijslag ontvangt.

De situatie bedoeld onder 1 kan zich nooit voordoen wanneer er sprake is van één kind, terwijl de situatie bedoeld onder 2 zich voordoet wanneer er slechts één kind aanwezig is. Het is het geen zaak voor de gemeente hoe de ouders onder elkaar de bijstand respectievelijk kinderbijslag verrekenen.

 

Aandachtspunten

De volgende aandachtspunten zijn bij bijstandsverlening in geval van co-ouderschap van belang.

Bepalend is in welke mate kinderen feitelijk bij de ouder verblijven.

Het is niet noodzakelijk, dat de afspraken tussen de ouders over het verblijf van de kinderen zijn vastgelegd in een formele, in rechte af te dwingen regeling.

Wie de kinderbijslag ontvangt doet aan het principe van de bijstandsberekening (norm alleenstaande plus toeslag) niets af.

Volgens bestaande jurisprudentie is er geen plaats voor extra bijstand t.b.v. eventuele meerkosten, bijvoorbeeld reiskosten van de kinderen, dubbel speelgoed, kleding e.d., die het gedeeld ouderschap met zich mee zouden kunnen brengen. Het is een eigen verantwoordelijkheid van de betrokkenen om eventuele kostenproblemen zelf op te lossen.

Als een of beide ouders jonger zijn dan 23 jaar moet worden uitgegaan van de bijstandsnorm die op betrokkene van toepassing is. Dit geldt ook voor de berekening van de toeslag.

Het kan voorkomen, dat de ouders een zodanige verblijfsregeling voor de kinderen kiezen, dat aan beide ouders de norm voor een alleenstaande ouder moet worden toegekend. Bijvoorbeeld in geval van 2 kinderen die beurtelings om de week bij een andere ouder verblijven. De motivering voor een dergelijke invulling van het co-ouderschap, ook als deze puur financieel van aard is, speelt voor de bijstandsverlening geen rol. De feitelijke situatie is bepalend.

Bij een tijdelijke incidentele wijziging van de verblijfsregeling door bijvoorbeeld vakantie of ziekte, korter dan 1 maand, wijzigt de uitkering niet. Alleen op uitdrukkelijk verzoek vooraf van de bijstandsgerechtigde kan de uitkering worden gewijzigd.

Frequente wijzigingen (bijvoorbeeld door ziekte of onregelmatige werktijden) en tijdelijke wijzigingen van langere duur (langer dan 1 maand) moeten wel tot aanpassing van de uitkering te leiden.

Bij frequente wijzigingen met een zekere regelmaat verdient het aanbeveling om een gemiddelde verblijfsduur te bepalen.

 

Voorbeeld 1

De kinderen verblijven twee dagen per week bij Annelies en 5 dagen per week bij Bert. Beide ouders zijn zelfstandig wonend, 23 jaar of ouder en hebben een bijstandsuitkering.

Annelies ontvangt

 

 

Bert ontvangt

 

 

5/7 x alleenstaandenorm

€ ...

 

2/7 x alleenstaande oudernorm

€ ...

 

2/7 x alleenstaande oudernorm

€ ...

+

5/7 x alleenstaandenorm

€ ...

+

co-oudernorm

€ ...

 

co-oudernorm

€ ...

 

toeslag 20%

€ 260,87

+

toeslag 20%

€ 260,87

+

Totale bijstand per maand

€ ...

 

Totale bijstand per maand

€ ...

 

 

Voorbeeld 2

De kinderen verblijven evenveel bij ouder Agnes als bij ouder Bavo, bijvoorbeeld afwisselend twee weken bij een van de ouders. Agnes is bijstandsafhankelijk en kan de kosten van levensonderhoud voor een deel met een medebewoner delen.

Agnes ontvangt

 

 

Bavo ontvangt

1/2 x alleenstaandenorm

€ ...

 

 

1/2 x alleenstaande oudernorm

€ ...

+

 

co-oudernorm

€ ...

 

 

toeslag 10%

€ 123,91

+

 

Totale bijstand per maand

€ ...

 

geen bijstand

 

Voorbeeld 3

Er zijn drie kinderen die nooit alle drie tegelijk bij één van de ouders zijn. Er is er altijd minimaal één bij elke ouder. Vanuit het oogpunt van de bijstand zijn beide ouders aan te merken als alleenstaande ouders.

3.2        Vaststelling vermogen bij co-ouderschap

De grond voor de richtlijn is gelegen in het feit dat artikel 34 lid 3 WWB een andere vermogensgrens kent voor een alleenstaande dan voor een alleenstaande ouder. Ook moet er bepaald worden welk en in hoeverre eventueel inkomen of vermogen van het kind in aanmerking wordt genomen als vermogen van de ouder.

 

Gemeentelijk beleid

Co-ouderschap wordt aanwezig geacht indien de feitelijke verzorging van de kinderen deels door de ene en deels door de andere ouder wordt gedaan. Als een ouder gemiddeld minder dan twee etmalen per week belast is met de verzorging van het kind, wordt dit niet gezien als co-ouderschap, maar als een omgangsregeling.

De vermogensgrens voor de co-ouder wordt berekend door de vermogensgrens voor een alleenstaande te vermeerderen met x/7 maal het verschil tussen de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder - de vermogensgrens voor een alleenstaande.

Eventueel inkomen en vermogen van het kind worden voor x/7 toegerekend aan betreffende ouder.

Hierbij staat x voor het gemiddelde aantal dagen per week dat de co-ouder het kind verzorgt.

 

Het gehanteerde gemiddelde aantal verzorgingsdagen per week is het als bij de vaststelling van de norm in geval van co-ouderschap (zie § 3.1).

3.3        Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in een inrichting

De grond voor deze richtlijn is gelegen in de overgang van een "gewone" bijstandsnorm naar een "speciale" (zak- en kleedgeld)norm voor personen die verblijven in een inrichting als bedoeld in artikel 1 onderdeel b WWB.

 

Gemeentelijk beleid

Belanghebbenden die door wat voor omstandigheden dan ook worden opgenomen in een inrichting krijgen te maken met een normwijziging. De uitkeringsnorm wordt aangepast naar de norm voor iemand, die in een inrichting verblijft (artikel 23 WWB).

 

Het is goed om, bij het vaststellen van het moment van de normwijziging rekening te houden met de volgende zaken:

bij een tijdelijke opname moet worden voorkomen dat de norm in korte tijd tweemaal moet worden gewijzigd;

de belanghebbende moet de gelegenheid hebben om zijn of haar betalingsverplichtingen en uitgavenpatroon af te stemmen op de nieuwe situatie.

 

Ten aanzien van de normwijziging geldt daarom de volgende regel:

Bij opname in een inrichting, al of niet tijdelijk, wordt de bijstand ongewijzigd voortgezet gedurende de maand van opname èn de daarop volgende maand. Op de eerste van de maand daarna geldt de norm voor iemand in een inrichting. Een ziekenhuisopname van een paar dagen leidt dus niet tot aanpassing van de norm!

 

Bijstand bij verblijf in een inrichting kan eindigen omdat:

belanghebbende de inrichting verlaat (beëindiging opname). De norm wordt direct aangepast;

de inrichting de woonstede van belanghebbende wordt (permanente opname) waardoor het college van de gemeente waarin de instelling is gelegen belast is met de verlening van de bijstand.

 

Voor de vaste lasten kan bijzondere bijstand worden verleend. Dit is geregeld in de Beleidsregels bijzondere bijstand.

 

Voorbeeld

Een alleenstaande van 43 jaar wordt op 12 januari opgenomen in een inrichting in de zin van de WWB. De lage uitkering (eventueel plus bijzondere bijstand voor vaste lasten) wordt van kracht met ingang van 1 maart (de eerste dag van de derde kalendermaand waarin de belanghebbende in de inrichting verblijft).

3.4        Ingangsdatum normwijziging alleenstaande ouder/alleenstaande.

De grondslag voor deze richtlijn is gelegen in de overgang van alleenstaande ouder naar alleenstaande als bedoeld in artikel 4 onder a WWB.

Gemeentelijk beleid

De normwijziging en de eventuele andere wijzigingen gaan in op de dag dat het laatste ten laste komende kind de leeftijd van 18 jaar bereikt of niet meer door de belanghebbende wordt verzorgd .

 

In geval van een studerend kind dat 18 jaar wordt kan bijzondere bijstand worden toegekend. Dit is geregeld in de Beleidsregels bijzondere bijstand (overbruggingstoeslag bij toekenning WSF en toeslag voormalig eenoudergezin).

 

Noten

(1)

CRvB 27-04-2010, nrs. 09/4715 WWB e.a

(2)

CRvB 04-08-1998, JABW 1998, nr 152

(3)

Waar auto wordt genoemd, wordt ook een motor bedoeld

(4)

Het bedrag € 2.269,00 is ontleend aan het grensbedrag voor kwijtschelding van belastingen op grond van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet

(5)

Handboek WWB Schulinck

(6)

zie CRvB 18-02-2003, nr. 00/2982 NABW)

(7)

zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 61-64 en TK 2002-2003, 28 960, nr. 3, p. 10, alsmede CRvB 02-05-2000, nr. 98/5326 NABW en CRvB 02-01-2001, nr. 99/373 NABW)

(8)

zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 61-64 en TK 2002-2003, 28 870, nr. 13, 9 167-168

 

Beleidsregels WWB, WIJ

Beleidsregels WWB, WIJ (PDF)
Omschrijving: