Disclaimer

De informatie in dit onderdeel vormt geen bekendmaking in de zin van de Gemeentewet of de Algemene wet bestuursrecht. Alleen publicatie in Huis aan Huis, onder de kop Gemeentenieuws Oldebroek, heeft een officieel karakter.

U vindt onderstaand de geldende Algemeen Verbindende Voorschriften (verordeningen) en beleidsregels van de gemeente Oldebroek. In het onderdeel 'Concept regelgeving' vindt u de nog niet vastgestelde versies. Deze concept versies worden gebruikt tijdens de besluitvorming en hebben uitsluitend een informatief doel.

Zoeken in regelgeving

            

Beleidsregel Voor- en Vroegschoolse Educatie

De Beleidsregel Voor- en Vroegschoolse Educatie kunt u raadplegen onder Bijlagen.

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie Gemeente Oldebroek
Vastgesteld door gemeenteraad
Officiële naam van de regeling Beleidsregel Voor- en Vroegschoolse Educatie
Citeertitel van de regeling Beleidsregel Voor- en Vroegschoolse Educatie
Onderwerp onderwijs
Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) Geen.
Opmerkingen m.b.t. de regeling Geen.
Betreft (aard van de wijziging) nieuwe regeling
Datum uitwerkingtreding
Datum inwerkingtreding 05-07-2011
Terugwerkende kracht (t/m)
Datum ondertekening 28-06-2011
Bron bekendmaking Huis aan Huis, 05-07-2011
Kenmerk voorstel Onbekend.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Wet ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie
  2. Wet kindopovang en kwaliteit peuterspeelzalen
  3. Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid 2011-2014

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Datum uitwerkingtreding Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
05-07-2011 nieuwe regeling 28-06-2011
Huis aan Huis, 05-07-2011
Onbekend.

 

 

Beleidsregel Voor- en Vroegschoolse Educatie 2011-2014

 

 

Gemeente Oldebroek

Afdeling Samenleving, Welzijn en Onderwijs

Februari 2011

 

Inhoudsopgave

 

1. Inleiding

1.1     Wat zijn VVE en OAB?

1.2     Historie

1.3     Wettelijk kader

1.4     Betrokken partijen

 

2. Beleid

2.1 Visie en doelstelling

2.2 Doelgroep

 

3. VVE en OAB in de praktijk

3.1 Taalstimulering

3.2 VVE programma

3.3 Uitvoering VVE

3.4 OAB

 

4. Financiële middelen

4.1 Rijksbekostiging

4.2 Begroting

4.3 Subsidie

 

5. Verantwoording en scholing

5.1 Scholing

5.2 Verantwoording

5.3 Evalueren en bijstellen

5.4 Procedure opstellen en vaststellen beleid

 

 

1. Inleiding

 

1.1 Wat zijn VVE en OAB?

Het onderwijsachterstandenbeleid(OAB) is er op gericht om achterstanden bij jonge kinderen en bij leerlingen in het basisonderwijs vroegtijdig op te sporen en te bestrijden. OAB richt zich op kinderen van alle leeftijden. Een onderdeel van OAB is de Voor en Vroegschoolse educatie(VVE). De VVE richt zich op kinderen van 0 tot 6 jaar. De gemeente is verantwoordelijk voor een goede uitvoering van de VVE. Hiervoor ontvangt de gemeente een bekostiging van het rijk.

De basisscholen krijgen bekostiging voor OAB in de uitkering die zij van het rijk ontvangen. Zij zijn verantwoordelijk voor OAB op hun school. Het onderdeel OAB wordt kort behandeld bij de uitvoering. In deze beleidsregel wordt er voornamelijk ingegaan op de VVE, omdat de uitvoering hiervan  de verantwoordelijkheid van de gemeente is.

 

Bij de start van het basisonderwijs kunnen achterstanden al erg groot zijn. De leerlingen kunnen dan al een taal en/of ontwikkelingsachterstand van één tot twee jaar hebben. Het opleidingsniveau van ouders is een belangrijke voorspeller van schoolsucces. De belangrijkste oorzaken van achterstanden zijn dan ook het niveau van geletterdheid van het gezin en de kwaliteit van de interactie tussen ouders en kinderen. Dit kan gevolgen hebben voor de schoolloopbaan en toekomstige maatschappelijke carrière van deze leerlingen. Uit onderzoek is gebleken dat educatie en begeleiding in de voorschoolse periode meer oplevert dan alle investeringen die daarna nog gedaan worden. Deze educatie en begeleiding noemen we VVE. Door VVE wordt voorkomen dat talent onbenut blijft. Het is van belang dat een ontwikkelingsachterstand of een risico op ontwikkelingsachterstand vroegtijdig gesignaleerd wordt, zodat zo snel mogelijk ondersteuning aangeboden kan worden.

Deze beleidsregel gaat over de wijze waarop de gemeente, scholen en voorschoolse voorzieningen, zoals kinderopvang en peuterspeelzalen, maatregelen treffen waarmee achterstanden tijdig kunnen worden geconstateerd, aangepakt en verholpen.

 

1.2 Historie

Vanaf 1998 heeft de gemeente in het kader van het onderwijsachterstandenbeleid een actieve rol in het bestrijden van achterstanden bij peuters en kleuters. In de eerste jaren was de aandacht gericht op drie scholen. Na verloop van tijd kwamen er meer middelen beschikbaar en werden alle basisscholen en peuterspeelzalen in de gemeente betrokken bij de bestrijding van onderwijsachterstanden. Voor de periode 2002-2006 was het gemeentelijk onderwijsachterstanden (GOA) beleidsplan Aandacht en overdracht opgesteld. In deze periode stonden de volgende (landelijke) speerpunten centraal:

 

-

taal;

 

 

-

VVE;

 

 

-

schoolloopbaan;

 

 

-

vroegtijdig schoolverlaten;

 

 

-

sociale competenties.

 

In deze periode is veel aandacht besteed aan taalstimulering, waarbij veel aandacht gericht was op de voor- en vroegschoolse periode. Er is een overdrachtsformulier ontwikkeld wat met de peuter meegaat van de peuterspeelzaal of kinderopvang naar de basisschool. Vanuit de leerplicht is extra aandacht besteed aan het bestrijden van voortijdig schoolverlaten. Ook zijn er diverse trainingen en projecten geweest met betrekking tot sociale vaardigheden (o.a. Sociaal Totaal).

Vanaf 2005-2006 zijn er drastische bezuinigingen doorgevoerd, waardoor het eerder genoemde GOA plan moest worden bijgesteld.

Vanaf 2006 is de nadruk steeds meer op de VVE gaan liggen. Een klein gedeelte van de middelen mocht ingezet worden op de basisscholen, maar dit moest gedurende deze jaren worden afgebouwd.

Door nieuwe ontwikkelingen, onderzoeken en inzichten en de inzet van staatsecretaris Dijksma is er meer aandacht voor de VVE gekomen met de invoering van de wet Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie (OKE) als sluitstuk hiervan. Vanaf 2008 zijn er nieuwe eisen bijgekomen en zijn er ook weer meer middelen beschikbaar.

Vanaf 2011 zijn door de invoering van de wet OKE, de bekostiging en de eisen aan VVE veranderd. Deze worden verderop in de beleidsregel besproken.

 

1.3 Wettelijk kader

De wet OKE is een wijzigingwet van een aantal bestaande wetten. De belangrijkste wetten hierbij zijn de wet op het primair onderwijs, de wet op de kinderopvang en de wet op het onderwijstoezicht. Van uit deze wijzigingen komen een aantal nieuwe en aanvullende eisen voort. Deze zijn onder andere:

 

De gemeente moet:

zorgen voor voldoende en kwalitatief volwaardig aanbod van voorschoolse educatie;

een maximale ouderbijdrage voor de voorschoolse educatie op de peuterspeelzalen vaststellen;

de doelgroep vaststellen;

zich inspannen voor het bereik van alle doelgroepkinderen en zorgen voor een goede toeleiding van kinderen naar voorschoolse educatie;

de doorgaande leerlijn tussen de voorschoolse voorziening en de basisschool organiseren.

toezicht op en handhaving van de kwaliteit van de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk uitvoeren;

controle uitvoeren op kwaliteitseisen van het aanbod van voorschoolse educatie;

een landelijk register van peuterspeelzalen en kinderdagverblijven die voorschoolse educatie aanbieden bijhouden;

verslag uitbrengen over het uitgevoerde toezicht en de resultaten daarvan aan gemeenteraad en Minister;

jaarlijks overleg voeren met schoolbesturen, kinderdagverblijven en peuterspeelzalen en afspraken maken over: een zo groot mogelijke deelname van kinderen aan voorschoolse educatie, met als aandachtspunten het vaststellen welke kinderen met een risico op een achterstand in de Nederlandse taal in aanmerking komen voor voorschoolse educatie, de wijze waarop kinderen worden toegeleid naar VVE en de organisatie van een doorlopende leerlijn van VVE;

jaarlijks met de schoolbesturen overleg voeren over de resultaten van vroegschoolse educatie;

 

De gemeente heeft voor het maken van afspraken zogenaamde ‘doorzettingsmacht’ gekregen. Wanneer niet alle partijen meewerken en dit wel nodig is voor een samenhangend lokaal onderwijsachterstandenbeleid dan kan het college van B&W een besluit nemen waarin afspraken zijn opgenomen die ook gaan gelden voor de partijen die zich niet kunnen vinden in de afspraken.

Hierbij moeten wel de belangen van alle betrokken worden afgewogen. Daarnaast moet het college in de afweging van belangen het draagvlak, bij de betrokken partijen, in beschouwing nemen dat er bestaat binnen de gemeente voor de uitvoering van de afspraken.

 

De peuterspeelzaal moet aan de volgende basiseisen voor peuterspeelzaalwerk voldoen:

de leidster - kindratio bedraagt één leidster op maximaal acht kinderen;

de groepsgrootte is maximaal 16 kinderen;

op elke groep is er minimaal één beroepskracht met opleidingsniveau (S)PW-3;

personeel moet in het bezit zijn van een verklaring omtrent het gedrag, deze wordt overlegd bij aanvang van de werkzaamheden en mag niet ouder zijn dan twee maanden;

er is een schriftelijke risico-inventarisatie die de risico’s van de opvang van kinderen in beeld brengt;

er geldt een informatieplicht aan ouders over het beleid;

er is een oudervertegenwoordiging en er is een klachtenregeling;

de voertaal is Nederlands (Fries en streektalen zijn ook toegestaan);

er moet voldaan worden aan de eisen rond veiligheid en gezondheid, brandweervoorschriften en eisen aan speeltoestellen en keukenhygiëne;

 

Peuterspeelzalen en organisaties voor kinderopvang welke VVE aanbieden moeten naast de basiseisen aan de volgende voorwaarden voldoen:

voorschoolse educatie wordt ten minste vier dagdelen of 10 uur per week aangeboden op een peuterspeelzaal of een kinderdagverblijf,

voor de voorschoolse educatie wordt een breed programma gebruikt dat zich richt op de ontwikkelingsdomeinen taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling;

op een groep waaraan voorschoolse educatie wordt aangeboden staat minimaal één beroepskracht per 8 kinderen. In groepen van 9 tot maximaal 16 kinderen (groter mogen de groepen niet worden) moeten dus twee beroepskrachten staan, voor de kinderopvang zijn er nog aanvullende eisen over het aantal kinderen per beroepskracht(zie wet kinderopvang);

de beroepskrachten hebben ten minste een opleiding gevolgd op (S)PW3 niveau. Onderdeel van deze beroepsopleiding vormt ten minste één module over het verzorgen van voorschoolse educatie. Als de beroepskracht niet deze module heeft gevolgd, bezit deze een bewijs dat specifieke scholing is afgerond over voorschoolse educatie;

de houder van een kinderdagverblijf of peuterspeelzaal waar voorschoolse educatie wordt aangeboden, stelt jaarlijks een opleidingsplan op waarin staat beschreven hoe de kennis en vaardigheden in voorschoolse educatie van beroepskrachten worden onderhouden.

 

1.4 Betrokken partijen

Binnen het VVE-beleid is het van belang dat de kinderen die VVE nodig hebben zo vroeg mogelijk bereikt worden. Om deze kinderen te bereiken wordt er door verschillende partijen samengewerkt. Het VVE-beleid kan om die reden ook niet los gezien worden van het bredere jeugdbeleid. Naast het peuterspeelzaalwerk en de kinderopvang zijn er belangrijke verbindingen met onder andere het  centrum voor Jeugd en Gezin waar het consultatiebureau deel van uitmaakt(vroegsignalering) en de bibliotheek. Deze partijen zijn betrokken bij het opstellen van het VVE-beleid.

 

Beleidsgroep

Er is een beleidsgroep bestaande uit een afvaardiging van de peuterspeelzalen, kinderopvang en basisscholen samengesteld. Zij hebben actief meegewerkt aan het opstellen van het nieuwe beleid. Daarnaast heeft er overleg plaatsgevonden met de bibliotheek en het consultatiebureau over het nieuwe beleid.

 

De betrokken partijen hebben ieder een eigen rol en verantwoordelijkheid. De belangrijkste daarin zijn de voorschoolse voorzieningen en de basisscholen. Daarnaast zijn de invoering van de wet OKE de taken en verantwoordelijkheden van de gemeente toegenomen. De verschillende partijen die betrokken zijn worden hieronder kort beschreven. Ook wordt de rol welke deze partij invult kort omschreven.

De gemeente

-

De gemeente is verantwoordelijk voor het opstellen van VVE-beleid. Daarnaast heeft zij een  stimulerende en regisserende rol en voert zij jaarlijks overleg met verschillende partijen die betrokken zijn bij de voorschoolse educatie. Ook is de gemeente verantwoordelijk voor controle van de kwaliteit van de VVE in de kinderopvang en peuterspeelzalen.

Peuterspeelzalen

-

Stichting Peuterspeelzalen Oldebroek is de enige instelling die gemeentelijke subsidie ontvangt voor het aanbieden van peuterspeelzaalwerk. Zij hebben 18 groepen verdeeld over 5 locaties. De locaties zijn verdeeld over de 5 grootste kernen. De afgelopen jaren hebben zij op niveau-1 gewerkt. Dit houdt in dat er per groep 1 geschoolde leidster aanwezig is met daarnaast een vrijwilliger. De Stichting Peuterspeelzalen Oldebroek bereikt ongeveer 300 peuters per jaar. Zij bieden reeds VVE aan.

Kinderopvang

 

Binnen de kinderopvang werd tot nu toe geen VVE aangeboden. De verschillende opvangorganisaties en de locaties worden hieronder beschreven

-

De Stichting Kindcentrum Oldebroek(SKO) is opgericht in 1990 en was tot 2009 de enige aanbieder van kinderopvang in de gemeente Oldebroek. Zij hebben 1 locatie voor dagopvang en 3 locaties voor buitenschoolse opvang. Daarnaast hebben zij een gastouderbureau.

-

In 2009 is kinderopvang ROMI B.V. gestart. Zij zijn begonnen met een dagopvang en buitenschoolse opvang. In 2011 is daar peuterspeelzaalwerk bij gekomen. Zij bieden peuterspeelzaalwerk onder de wet kinderopvang aan en ontvangen hiervoor dan ook geen subsidie. Zij hebben een locatie in de kern Oldebroek met twee groepen.

-

De Christelijke Kinderopvang(CKO) is in gesprek met het schoolbestuur van de Akker over het aanbieden van opvang in de Oranjeschool te Wezep. Per wanneer dit start is nog niet bekend.

-

Op dit moment vindt de voorbereiding plaats van nieuwbouw van de Johan Friso school. Hierin wordt ook kinderopvang gerealiseerd. De kinderopvang in deze school wordt waarschijnlijk aangeboden door een samenwerkingsverband van Landstede Kinderopvang en de SKO.

Basisscholen

-

In de gemeente Oldebroek zijn 15 basisscholen verdeeld over 6 kernen. In Oldebroek voert de Eben Haëzerschool een “nulde” groep. Dit is een peutergroep voor 3-jarigen en valt onder de definitie peuterspeelzaal.

 

De basisscholen zijn zelf verantwoordelijk voor het onderwijs aanbod en de uitvoering van activiteiten in het kader van onderwijsachterstanden.

 

Consultatiebureau Icare(CJG)

-

Het consultatiebureau heeft een belangrijke rol in de vroegsignalering en verwijzing van achterstandskinderen. Zij hebben spreekuur op twee locaties, in Oldebroek en in Wezep. Ook overhandigen zij de ouders een uitnodiging voor een kinderlidmaatschap voor de bibliotheek.

Bibliotheek Noord-Veluwe

-

De bibliotheek voert voor de gemeente Oldebroek een taalproject uit op de peuterspeelzaal en basisscholen. Daarnaast overhandigen zij het Boekstart-koffertje en worden de ouders van een baby of peuter uitgenodigd om hun kind lid te maken van de bibliotheek.

GGD Gelre-IJssel

-

De GGD voert voor de gemeente Oldebroek de controles uit in de kinderopvang en peuterspeelzalen. De wijze waarop dit gebeurt is vastgelegd in de Beleidsnota handhaving kwaliteit kinderopvang gemeente Oldebroek.

 

 

2. Beleid

 

2.1 Visie en doelstelling

Bij het opstellen van het nieuwe beleid is door de beleidsgroep aangegeven dat zij VVE dermate belangrijk vinden, dat alle kinderen dit zouden moeten krijgen. De doelstelling is om alle kinderen die een peuterspeelzaal, kinderopvanginstelling of basisschool in de gemeente Oldebroek bezoeken in aanraking te brengen met VVE. Of alle kinderen bereikt worden moet in de praktijk blijken. Dit gaan we bewerkstelligen door op zoveel mogelijk locaties VVE aan te bieden. Dit gebeurt nu al op alle peuterspeelzaalgroepen en wordt ook ingevoerd op zoveel mogelijk kinderopvanglocaties.

 

Voor de uitvoering van VVE ontvangt de gemeente Oldebroek een bijdrage van het rijk. Deze bijdrage is gebaseerd op de gewichtenregeling. Bij de gewichtenregeling wordt alleen naar de opleiding van de ouders gekeken. Uit de berekening van het aantal gewichten komt naar voren dat er volgens het rijk 42 peuters met een achterstand in de gemeente Oldebroek zijn. Uit de praktijk blijkt de gewichtenregeling niet altijd correct is. Zo kunnen kinderen met hoogopgeleide ouders ook een achterstand hebben. Daarnaast kan men niet stellen dat alle kinderen van ouders met een lage opleiding altijd een achterstand hebben. Om die reden is er in de gemeente Oldebroek voor een andere doelgroepbepaling gekozen. Deze wordt in hoofdstuk 2.2 behandeld.

 

De peuters bij wie een achterstand geconstateerd wordt, krijgen een intensieve begeleiding. Zij krijgen een aanbod van minimaal 10 uur per week VVE aangeboden. Ook wordt van deze peuters de ouderbijdrage verlaagd wanneer zij op de peuterspeelzaal zitten. Op die manier wordt de drempel voor ouders verlaagd en kunnen alle kinderen die extra ondersteuning nodig hebben hiervan gebruikmaken.

Er zijn dus twee trajecten. Het eerste traject is de brede inzet van een goed voor en vroegschools aanbod voor alle kinderen. Daarnaast krijgen de doelgroepkinderen een intensief VVE traject van minimaal 10 uur per week VVE-aanbod. Door middel van de doorgaande leerlijn wordt ervoor gezorgd dat er een goede overdracht is tussen de voorschoolde voorziening en de basisschool.

 

2.2 Doelgroep

De doelgroep is bepaald in afstemming met de betrokken partners. Het bepalen van de doelgroep is een beleidsvrijheid van de gemeente. Wel moet minimaal het aantal peuters worden bereikt wat op basis van de gewichtenregeling is bepaald. Voor de gemeente Oldebroek zijn dit 42 peuters. De doelgroepkinderen krijgen een aanbod VVE van minimaal 10 uur per week aangeboden. De ouderbijdrage van doelgroepkinderen die VVE volgen op de peuterspeelzaal moet verlaagd worden om zo de drempel voor deze ouder weg te nemen en de toegankelijkheid te vergroten. Als doelgroepkinderen VVE ontvangen via de kinderopvang, dan is de ouderbijdrage al verlaagd via de kinderopvangtoeslag van de belastingdienst. De uitwerking hiervan wordt bij de uitvoering VVE besproken.

 

Er is voor de volgende procedure voor de doelgroepbepaling gekozen:

-

De doelgroep bestaat uit peuters waarbij op basis van observaties van het consultatiebureau een aantoonbare achterstand is geconstateerd of waarbij op basis van observaties van de groepsleidster van een voorschoolse voorziening een aantoonbare achterstand wordt geconstateerd. Een peuter wordt pas een doelgroepkind, wanneer de leidster en de wijkverpleegkundige het eens zijn over de indicatie.

-

Wanneer er twijfel is over de achterstand kan er vanaf de leeftijd van 3 jaar een toets voor het  taal- of rekenspectrum worden afgenomen.

-

Vanaf 2,5 jaar kan er VVE worden aangeboden aan doelgroepkinderen. Bij de leeftijd van 3,5 jaar wordt er definitief  bepaald of de peuter een doelgroepkind is. Wanneer de peuter op de leeftijd van 3,5  jaar een aantoonbare achterstand heeft, dan blijft deze peuter doelgroepkind tot de leeftijd van 4 jaar.

-

In overleg tussen de leidster en de wijkverpleegkundige wordt de doelgroep definitief bepaald.

 

De keuze voor een brede doelgroepbepaling maakt het mogelijk om peuters met verschillende achterstanden te bereiken. Er kunnen verschillende oorzaken zijn voor het ontstaan van een achterstand. Bij achterstanden wordt gekeken naar de gebieden: taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling.

 

Op de peuterspeelzaal wordt gewerkt met subsidieplaatsen. De coördinatie hiervan ligt bij de coördinator van de peuterspeelzaal. Deze is verantwoordelijk voor de controle op het aantal gesubsidieerde kindplaatsen. De uitvoering hiervan wordt in hoofdstuk 3.3 besproken.

 

 

3. VVE en OAB in de praktijk

 

3.1 Taalstimulering

Een belangrijk onderdeel van VVE en OAB is taalstimulering. Wanneer er bij een peuter achterstanden worden geconstateerd, ligt dit vaak in de taal en spraakontwikkeling. In onze gemeente komt daarbij het dialect dat thuis wordt gesproken. Dit kan mede een oorzaak zijn van een achterstand in de taal en spraakontwikkeling. In de gemeente Oldebroek vind op meerdere manieren taalstimulering plaats. De taalstimulering begint op jonge leeftijd met Boekstart. Dit begint bij 3 á 4 maanden. Hierna bij 18 maanden begint Boekenbas. Dit programma loopt door tot het 6e levensjaar. Hieronder worden de verschillende programma’s besproken.

 

BoekStart

BoekStart is een programma dat het lezen met heel jonge kinderen wil bevorderen én ouders met jonge kinderen wil laten genieten van boeken. BoekStart gaat uit van de gedachte dat kinderen die al op jonge leeftijd in aanraking komen met boeken een voorsprong (op school) ontwikkelen waar ze hun hele leven voordeel van hebben. BoekStart richt zich op kinderen van 0 tot 1 jaar.

Het programma bestaat uit een aantal stappen:

-

Ouders uit de gemeente Oldebroek ontvangen wanneer hun kind 3 a 4 maanden is, een brief van de gemeente met daarbij een tegoedbon waarmee zij het BoekStart koffertje kunnen ophalen bij de bibliotheek. In dit koffertje zit een knisperboekje, een cd en boekje met versjes uit grootmoeders tijd en informatie over het belang van lezen en taal bij jonge kinderen.

-

Bij het 7 maanden bezoek aan het consultatiebureau worden de ouders nogmaals geattendeerd op dit koffertje. Wanneer zij het koffertje niet hebben opgehaald, ontvangen zij een nieuwe tegoedbon.

-

Bij het afhalen van het koffertje kunnen ouders hun kind ook kosteloos lid maken van de bibliotheek en krijgen zij een korte rondleiding in het kindergedeelte van de bibliotheek.

-

Wanneer het kind 1 jaar oud is, worden de ouders die lid zijn geworden van de bibliotheek, uitgenodigd voor een bijeenkomst in de bibliotheek, waarin het lezen en de taalontwikkeling nogmaals benadrukt wordt.

 

BoekStart is het eerste programma waarmee ouders met jonge kinderen in contact komen. Het sluit aan op Boekenbas en is gericht op alle ouders en kinderen.

 

Boekenbas

Boekenbas is een project waarbij kinderen in aanraking komen met boeken en deze ook mee naar huis nemen. Ouderbetrokkenheid is een essentiële voorwaarde om effectief achterstanden bij kinderen te voorkomen of weg te werken. Voor de kinderen in de leeftijd van 1,5 tot 6 jaar is dit zeer belangrijk. Het voorlezen vormt een goede start voor het stimuleren van de geletterdheid bij kinderen en heeft een gunstige invloed op de mondelinge taalontwikkeling. Het bereidt kinderen bovendien voor om zich straks succesvol het lezen met begrip op school eigen te maken. Boekenbas versterkt de leereffecten bij de kinderen doordat er zowel thuis als op school of de peuterspeelzaal uit dezelfde prentenboekenserie wordt voorgelezen. In het schooljaar 2000-2001 is Boekenbas gestart. Het sluit aan op BoekStart en wordt in hoge mate op prijs gesteld door leerkrachten en ouders. Met Boekenbas krijgt het voorlezen een impuls. De Bibliotheek Noord-Veluwe coördineert dit project. Het project bestaat uit drie fasen: 1,5 tot 2,5 jaar, 2,5 tot 4 jaar en 4 tot 6 jaar. De fasen worden hieronder kort toegelicht.

 

-

1,5 tot 2,5 jaar.

 

Ouders met een kind van 1,5 jaar worden door het consultatiebureau uitgenodigd voor een bijeenkomst over taal en spraakontwikkeling. Bij dit bezoek ontvangt de ouder informatie over (voor) lezen en krijgt de ouder een boekje mee. De laatste jaren was dit "de slab van Bas" en "Wollewolschaap". Periodiek komt er een nieuw boekje om ouders met meerdere kinderen niet telkens het zelfde boekje mee te geven. Alle ouders die het consultatiebureau bezoeken ontvangen dit boekje, ook wanneer zij niet bij de bijeenkomst aanwezig kunnen zijn.

 

 

-

2,5 tot 4 jaar.

 

Op de peuterspeelzalen wordt er gewerkt met het boek "ik ben Bas". Dit boek wordt in de groepen behandeld en besproken door middel van vertel- en praatplaten. Daarnaast krijgen de kinderen dit boek enkele weken mee naar huis tezamen met een handleiding voor de ouders. Op deze manier worden de ouders ook bij de taalstimulering betrokken. Ook wordt er gewerkt met prentenboeken. Deze boeken worden in de groepen behandeld en er wordt over gepraat en er worden opdrachten rond het boek uitgevoerd. Ook dit boek wordt mee naar huis genomen. De ouders worden ingelicht hoe te werken met het prentenboek

 

 

-

4 tot 6 jaar.

 

In de eerste en tweede groep van de basisschool werkt men evenals op de peuterspeelzalen met de Basboeken en prentenboeken. Deze boeken worden in de klas behandeld en het kind krijgt het boek mee naar huis. Dit gebeurt tijdens de reguliere schooltijd. Gedurende het jaar rouleren de boeken langs de verschillende scholen. Ook gaan deze kinderen op bezoek bij de bibliotheek. Bij dit bezoek kunnen zij bekend worden met de bibliotheek en mogen zij ook een boek uitkiezen wat mee naar school gaat. Een aantal scholen werkt met gecombineerde 1-2 klassen. Daarom is ervoor gekozen dit aan de groepen 1 en 2 aan te bieden. Dit gebeurt eens per twee jaar. Daarnaast organiseren verschillende scholen nog uiteenlopende activiteiten rondom Boekenbas. Dit kan een informatieavond voor ouders zijn of het werken met de speelontdekboeken.

 

Boekenbas wordt via het consultatiebureau, de peuterspeelzalen en de basisscholen aangeboden aan alle ouders en kinderen in de gemeente Oldebroek in de leeftijd van 1,5 tot 6 jaar.

 

3.2 VVE-programma´s

Binnen de gemeente Oldebroek wordt er op de voorschoolse voorzieningen gewerkt met het programma Peuterplein. Voorheen werd er in onze gemeente met het taalprogramma Bas gewerkt, maar omdat deze niet alle ontwikkelingsgebieden stimuleert is er vanaf deze beleidsperiode gekozen voor een nieuw “breed” programma. Peuterplein is een zeer compleet programma voor educatie aan peuters. Het bestaat uit verschillende leermiddelen zoals prentenboeken, een schootboek, themakaternen en een handpop.  

Peuterplein stimuleert alle ontwikkelingsgebieden die voor peuters belangrijk zijn: taal, voorbereidend rekenen, bewegen, expressie, muziek en sociaal-emotionele ontwikkeling. Een bijkomend voordeel is dat peuterplein eenvoudig in het gebruik is. Voor het uitvoeren van het programma is geen aparte scholing nodig en het is inzetbaar op zowel de peuterspeelzaal als de kinderopvang.

Daarnaast is de keuze voor Peuterplein gemaakt omdat dit programma aansluit op de bestaande kleuterpakketten zoals Kleuterplein, Schatkist en Piramide. Deze programma’s wordt door een deel van de basisscholen in onze gemeente gebruikt. Een goede overgang tussen de programma’s vergemakkelijkt de doorgaande leerlijn.

Naast Peuterplein blijven de instellingen werken met Boekenbas. Deze programma´s zijn een goede aanvulling op elkaar en zo wordt het eerder opgebouwde programma en de kennis en ervaring niet verspild.

 

3.3 Uitvoering VVE

Voor een goede uitvoering van het VVE-beleid wordt er op diverse de voorschoolse voorzieningen VVE aangeboden. Dit gebeurt door het werken met een VVE-programma. Een VVE-programma is een  breed educatief programma wat zich zowel op taal en rekenen als de motorische en sociaal emotionele ontwikkeling richten. Een VVE-programma is gericht op het voorkomen en bestrijden van ontwikkelingsachterstanden. Het gaat hierbij om stimuleren en ondersteunen door middel van uitnodigende en uitdagende activiteiten die passen bij het ontdekkend spelen en leren van het jonge kind.

Het inzetten van een VVE-programma gebeurt op de peuterspeelzalen op twee manieren. Allereerst wordt in het reguliere peuterspeelzaal gebruik gemaakt van een VVE-programma. Dit wordt in de dagelijkse praktijk ingezet en aangeboden aan alle kinderen die de peuterspeelzaal bezoeken.

Daarnaast zitten er op de peuterspeelzaal doelgroepkinderen. Deze volgen het reguliere VVE-programma, maar krijgen minimaal 10 uur per week VVE aangeboden.

Op de kinderopvang wordt bij het opstellen van deze beleidsregel nog niet gewerkt met een VVE-programma. Wel werkt de SKO al langer met de Bas-boeken en Bas-materialen. Doelstelling is om VVE geleidelijk op de diverse locaties in de gemeente Oldebroek in te voeren. Hierbij wordt het programma breed aangeboden aan gemengde groepen van doelgroepkinderen en niet-doelgroepkinderen.

Op de peuterspeelzaal van de Eben Haëzer wordt er met een VVE-programma gewerkt, maar zij kunnen geen 10 uur per week aanbieden. De doelgroepkinderen die hiervan gebruikmaken krijgen dus niet de benodigde 10 uur per week aangeboden. Zij kunnen dus niet opgenomen in de verantwoording voor het rijk, maar krijgen wel een paar uur per week een VVE-programma aangeboden.

 

In totaal moeten er 42 doelgroepkinderen bereikt worden. Deze doelgroepkinderen zijn te verdelen in drie categorieën:

1.

de doelgroepkinderen op de kinderopvang. Deze krijgen een aanbod van VVE en komen over het algemeen meer dan 10 uur per week in de opvang. Hierbij gaat het om actieve uren en na aftrek van eventuele slaapjes. Wanneer deze kinderen niet 10 uur per week de kinderopvang bezoeken, dan kan de leidster in samenwerking met de wijkverpleegkundige de ouders wijzen op het belang van een goede basis om zo de ouders te bewegen het kind 10 uur per week naar de opvang te brengen. Deze ouders ontvangen kinderopvangtoeslag van de belastingdienst.

2.

de doelgroepkinderen die de peuterspeelzaalwerk volgen onder de wet kinderopvang. Deze krijgen een aanbod van VVE en komen over het algemeen minder dan 10 uur per week. Hierbij moet de leidster in samenwerking met de wijkverpleegkundige de ouders wijzen op het belang van een goede basis om zo de ouders te bewegen het kind 10 uur per week naar de peuterspeelzaal te brengen. Deze ouders ontvangen kinderopvangtoeslag van de belastingdienst.

3.

de doelgroepkinderen die naar de peuterspeelzaal gaan waarvan niet beide ouders werken. Deze ouders kunnen geen gebruik maken van de toeslagregeling van de belastingdienst. Van deze doelgroepkinderen wordt de ouderbijdrage verlaagd. Voor deze kinderen zijn maximaal 32 plaatsen beschikbaar. Wanneer er meer dan doelgroepkinderen onder deze categorie vallen, worden ze op een wachtlijst geplaatst.  Over de verlaging ouderbijdrage wordt verderop in de beleidsregel uitleg gegeven.

 

Kinderen jonger dan 5 jaar zijn niet leerplichtig. Ouders kunnen dan ook niet verplicht gesteld worden om hun kind 10 uur per week aan VVE te laten deelnemen. Wel heeft de huidige regering in haar regeerakkoord opgenomen dat kinderen met een grote taalachterstand met dwang en drang gaan deelnemen aan vroeg- en voorschoolse educatie. In de praktijk betekend dit dat alles geprobeerd moet worden om deze kinderen 10 uur per week te bereiken. Dit kan door middel van gesprekken of schriftelijke  informatieverstrekking.

 

Overdracht

De peuterspeelzalen en kinderopvanginstellingen vullen voor iedere peuter in de leeftijd van 2 tot 4 jaar een overdrachtsformulier in. Op dit formulier wordt de ontwikkeling van het kind bijgehouden. Wanneer de peuter naar de basisschool gaat, wordt dit formulier aan de leerkracht overhandigd. Hiervoor moeten de ouders toestemming geven. Waar nodig vindt er een "warme" overdracht plaats. Bij een warme overdracht wordt het formulier door de leidster toegelicht en worden eventuele achterstanden van de peuter besproken. Dit komt voornamelijk voor bij peuter met een achterstand, maar er kan ook een andere reden zijn waarom een warme overdracht noodzakelijk is.

 

VVE-kindplaatsen

De gemeente moet in de voorschoolse situatie minimaal 42 doelgroepkinderen bereiken. Dit gebeurt door middel van vroegsignalering door het consultatiebureau en door signalering door de leidsters op de peuterspeelzalen en kinderopvang. Op alle locaties waar met Peuterplein wordt gewerkt kunnen doelgroepkinderen worden opgevangen. Deze kinderen moeten wel minimaal 10 uur per week een VVE-programma volgen. Om eventuele drempels weg te nemen en de toegankelijkheid te vergroten moet de ouderbijdrage van doelgroepkinderen die VVE volgen op de peuterspeelzaal worden verlaagd. De ouderbijdrage van deze kinderen moet verlaagd worden naar het minimale bedrag wat betaald moet worden bij vergelijkbare opvang in de kinderopvang. Dit komt voor 2011 neer op € 0,51 cent per uur. Dit bedrag kan per jaar wisselen of geïndexeerd worden. De vaststelling van dit bedrag wordt gedaan door het ministerie. Voor ouders met een laag inkomen kan de bijdrage van € 0,51 cent nog steeds een drempel zijn. Zij kunnen gebruik maken van de minimaregelingen van de gemeente Oldebroek. Via deze regelingen kunnen zij een deel van de ouderbijdrage terug krijgen. Dit loopt via sociale zaken.

De gemeente verstrekt een subsidie voor een kindplaats van € 3.122,- per kind per jaar. Er is hiervoor € 99.900,- beschikbaar, wat overeen komt met 32 kindplaatsen. Dit bedrag is gebaseerd op een berekening van de VNG. Zij gaan uit van 11,2 uur per week gemiddeld, gedurende 40 weken, bij een uurprijs van € 7,48 per uur. Van dit bedrag betalen de ouder € 0,51.

Op dit moment worden er alleen plaatsen op de peuterspeelzaal van de SPO vergoed. Hiervoor is gekozen omdat zij al lange tijd ervaring hebben met het aanbieden van VVE op de peuterspeelzaal. Daarnaast hebben zij met 5 peuterspeelzalen in de grootste kernen een goede spreiding en er is bekend dat er doelgroepkinderen op peuterspeelzaal van de SPO zitten. Bij tussentijdse evaluatie kan naar voren komen dat de verdeling van kindplaatsen niet voldoet en kan dit bijgesteld of aangepast worden. Deze kindplaatsen zijn bedoeld voor doelgroepkinderen die deelnemen aan VVE op de peuterspeelzaal en die geen gebruik kunnen maken van de toeslagregeling van de wet kinderopvang.

Er zijn voor deze kinderen maximaal 32 plaatsen beschikbaar. Wanneer er meer dan 32 doelgroepkinderen in deze categorie vallen, moeten deze op een wachtlijst worden geplaatst. Deze kinderen kunnen wel deelnemen aan de peuterspeelzaal, alleen is het niet mogelijk om de ouderbijdrage te verlagen en 10 uur per week VVE aan te bieden.

 

Ouders die beide werken met doelgroepkinderen die naar de peuterspeelzaal gaan, vallen onder de wet kinderopvang en ontvangen kinderopvangtoeslag van de belastingdienst. Zij komen niet in aanmerking voor een verlaging van de ouderbijdrage.

Ouders van doelgroepkinderen die naar de kinderopvang gaan, ontvangen kinderopvangtoeslag van de belastingdienst en komen niet in aanmerking voor een verlaging van de ouderbijdrage.

Ouders van kinderen die de peuterspeelzaal bezoeken, maar geen doelgroepkind zijn, betalen de reguliere ouderbijdrage.

 

3.4 OAB

Voor en Vroegschoolse Educatie(VVE) is nauw verweven met Onderwijsachterstandenbeleid(OAB). Gemeenten hebben in het verleden aangegeven dat ze voor leerlingen met een grote taalachterstand extra activiteiten willen aanbieden. In de wet OKE is gezocht naar mogelijkheden om dit mogelijk te maken. In de nieuwe wet krijgen gemeenten daarom de mogelijkheid om in samenwerking met de scholen, activiteiten te organiseren om de beheersing van de Nederlandse taal te bevorderen. Hierbij moet worden opgemerkt dat scholen zowel inhoudelijk als financieel verantwoordelijk zijn voor de vroegschoolse educatie. Gemeenten kunnen hierbij wel extra ondersteunen vanuit hun eigen lokale taalbeleid. Dit heeft in de gemeente Oldebroek zijn uitwerking gekregen in de vorm van Boekenbas. Daarnaast moet de doorgaande leerlijn worden gewaarborgd. Deze activiteiten zijn gericht op een betere doorstroming in het onderwijs. Hierover worden in de Lokale Educatieve Agenda afspraken gemaakt. Hierbij moet vermeld worden dat de verantwoordelijkheid voor het gehele onderwijs, inclusief het voorkomen en tegengaan van onderwijsachterstanden, bij de scholen blijft liggen. Zij ontvangen hiervoor geld via de lumpsum. Scholen met relatief veel achterstandsleerlingen krijgen ook nog extra geld in de lumpsum op basis van de gewichtenregeling, inclusief geld voor vroegschoolse educatie. De verder invulling en uitvoering van het onderwijsachterstandenbeleid is dan ook een taak van de scholen en daar wordt dan in deze beleidsregel ook niet verder op ingegaan.

 

 

4. Financiële middelen

 

4.1 Rijksbekostiging

Het rijk stelt vanaf 1998 middelen ter beschikking aan de gemeenten ter bestrijding van de onderwijsachterstanden. De hoogte van deze middelen wordt vastgesteld op basis van de gewichtenregeling. Naarmate het opleidingsniveau van ouders lager is wordt het gewicht hoger. De komende beleidsperiode ontvangt de gemeente Oldebroek voor de uitvoering van VVE een bedrag op basis van 42 peuters. In totaal is dit € 133.633,90 per jaar. Het bedrag wordt uitgekeerd in de vorm van een specifieke uitkering.

Van dit bedrag is er maximaal 15% beschikbaar voor de ambtelijke uitvoering van het VVE-beleid door de gemeente. Uit de praktijk blijkt dat niet de volledige 15% nodig zijn voor de uitvoering van het VVE-beleid, maar 7,5% wat neer komt op € 10.000,-.

De basisscholen krijgen daarnaast in de lumpsum uitkering een bedrag voor onderwijsachterstanden. Ook krijgt een deel van de basisscholen een extra bekostiging voor het tegengaan en verhelpen van onderwijsachterstanden op basis van het aantal gewichtenleerlingen.

 

4.2 Begroting

Voor VVE worden de financiële middelen ingezet op verschillende programma´s en onderdelen. In 2011 is er de eerste helft van het jaar een subsidie uitgekeerd aan de peuterspeelzalen en de bibliotheek op basis van de vorige beleidsnota. Daarnaast is er een bedrag uitgekeerd voor de VVE-kindplaatsen.

Dit bedrag wordt ingezet voor het verlagen van de ouderbijdrage. De bedragen van 2011 zijn apart genoemd, omdat 2011 een overgangsjaar is. Het bedrag voor de VVE-kindplaatsen voor de tweede helft is gebaseerd op het nieuwe beleid. Dit is 5/12e deel van de jaarlijkse subsidie.

De begroting is hoger geraamd dan het bedrag wat vanuit het rijk beschikbaar is. Over de gehele periode is er in totaal een tekort van € 13.299,40. Dit tekort wordt aangevuld uit de voorziening VVE. In deze voorziening is een bedrag van ongeveer € 20.000,- opgebouwd dat is overgebleven uit eerdere beleidsperioden. Dit wordt ingezet om het tekort op de begroting te dekken.

 

In het onderstaande schema is het totaal van de kosten inzichtelijk gemaakt.

 

 

2011

2012

2013

2014

Boekstart

 

€     2.500

€     2.500

€     2.500

Boekenbas

€      7.500

€     7.500

€     7.500

€     7.500

Overdracht

€    10.500

€   10.500

€    10.500

€    10.500

Formulieren

€      2.000

€        500

€         500

€       500

Peuterplein

€    10.500

€     2.100

€       2.100

€     2.100

VVE-kindplaatsen 2012-2014

 

€   99.900

€    99.900

€    99.900

Uitv. gemeente

€    10.000

€   10.000

€    10.000

€    10.000

Onvoorzien/scholing

€      5.000

€    5.000

€      5.000

€     5.000

Subsidie eerste helft 2011

€    34.151

 

 

 

VVE-kindplaatsen 1e helft 2011

€    12.558

 

 

 

VVE-kindplaatsen 2e helft 2011

€    41.626

 

 

 

Totaal

€   133.835

€   138.000

€   138.000

€   138.000

 

De verschillende onderdelen van de begroting worden op de volgende pagina kort toegelicht. In hoofdstuk 3 zijn de verschillende programma´s toegelicht en besproken.

 

 

Toelichting begroting:

-

Boekstart wordt door de bibliotheek in samenwerking met de gemeente en Icare uitgevoerd. Op dit moment is daar vanuit de provincie een subsidieregeling voor, daarom zijn in 2011 geen kosten opgevoerd. De verwachting is dat de provinciale subsidie in 2012 stopt. De jaarlijkse kosten zonder subsidie zijn ongeveer € 2.500,-.

-

De coördinatie van Boekenbas wordt uitgevoerd door de Bibliotheek. Hiervoor ontvangen zij een bedrag van € 2.500,-. Daarnaast is er € 5.000,- beschikbaar voor vervanging van boeken, nieuwe aanschaf van boeken en uitvoering van het bezoek van de basisscholen aan de bibliotheek. De bibliotheek ontvangt het volledige bedrag en coördineert ook de vervanging en aanschaf van boeken.

-

Voor de overdracht is er per peutergroep een bedrag beschikbaar van € 350,-. Voor dit bedrag moeten de peuterspeelzaal en kinderopvang jaarlijks de overdrachtformulieren invullen en de ouders hierover informeren en toestemming vragen voor overdracht naar de school. Waar nodig vind er een warme overdracht plaats. Dit komt voornamelijk voor bij peuter met een achterstand, maar er kan ook een andere reden zijn waarom een warme overdracht noodzakelijk is. Er is uitgegaan van 30 groepen in de gemeente Oldebroek. Hierbij gaat het om groepen met 10 of meer kinderen. Groepen met minder dan 10 kinderen worden voor 50% meegeteld.

-

Voor de overdrachtformulieren is er in 2011 € 2.000,- gereserveerd voor de drukkosten van het formulier. In de daarop volgende jaren is € 500,- gereserveerd voor het bijdrukken van het formulier.

-

Voor de invoering van Peuterplein is in 2011 € 10.500,- nodig. Dit is voor de aanschaf van de lespakketten. Voor iedere groep wordt een pakket aangeschaft. Er is hierbij uitgegaan van 30 groepen. Ook hierbij gaat het om groepen met 10 of meer kinderen. Groepen met minder dan 10 kinderen worden voor 50% meegeteld. In de volgende jaren is er 20% van de nieuwwaarde per jaar gereserveerd voor vervanging van materialen.

-

Voor de VVE-kindplaatsen is er jaarlijks een bedrag van € 99.900,- beschikbaar. Met dit bedrag kunnen er 32 kindplaatsen worden gerealiseerd bij de Stichting Peuterspeelzalen Oldebroek. De overige 10 kindplaatsen worden in de kinderopvang gerealiseerd. In 2011 is er de eerste helft gewerkt op basis van het vorige beleid. Het jaar is daardoor gesplitst in twee delen: het eerste deel voor de zomervakantie en het tweede deel na de zomervakantie. Het nieuwe beleid gaat na de zomervakantie in.

-

Voor de ambtelijke uitvoering van het VVE-beleid door de gemeente is er jaarlijks € 10.000,- beschikbaar.

-

In de post onvoorzien/scholing is een bedrag van € 5.000 per jaar opgenomen. Dit bedrag kan op aanvraag van de instellingen worden ingezet voor bijscholing van de leidsters of voor onvoorziene stijging van kosten.

 

4.3 Subsidie

De bedragen voor de verschillende onderdelen van het VVE-beleid worden aan de betrokken instellingen betaald in de vorm van een subsidie. De instellingen moeten hiervoor een aanvraag indienen. De verantwoording hiervan wordt in hoofdstuk 5 besproken. De voorwaarden voor het aanvragen van subsidie zijn opgenomen in de algemene subsidieverordening en de beleidsregel subsidie.  

 

 

5. Verantwoording en scholing

 

5.1 Scholing

Peuterspeelzalen en kinderopvangorganisaties die VVE aanbieden moeten jaarlijks een opleidingsplan indienen. Hierin moet staan hoe zij het personeel wat belast is met de uitvoering van VVE opleiden of bijscholen. De instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor goed opgeleid personeel. Vanuit de overheid is er trainingstraject opgestart. Dit heet Vversterk. Dit is een gesubsidieerd programma wat loopt tot 1 januari 2014. Zij bieden een basis VVE-cursus en ook verdiepingscursussen. De cursussen kunnen kosteloos gevolgd worden. Wanneer er behoefte is kan dit door de gemeente gezamenlijk georganiseerd worden. Daarnaast is er een bedrag jaarlijks gereserveerd voor onvoorziene kosten en scholing. Dit bedrag kan ingezet worden voor betaalde opleidingen die gezamenlijk kunnen worden gevolgd. Bij de jaarlijkse evaluatie wordt bekeken of hier behoefte aan is.

 

5.2 Verantwoording

Bij de jaarrekening van de gemeente moeten ook de gelden voor VVE worden verantwoord. Dit gebeurt in de vorm van een Sisa verantwoording. Sisa staat voor Single information, single audit. Op deze manier worden de gelden naar het rijk toe verantwoord. Hierin is onder andere opgenomen hoeveel kinderen er bereikt zijn, en waaraan de middelen zijn besteed.

De instellingen die VVE-plaatsen voor doelgroepkinderen aanbieden, moeten jaarlijks voor 1 februari aangeven hoeveel doelgroepkinderen zij het jaar daarvoor hebben bereikt. Dit is nodig voor een goede verantwoording naar het rijk. Bij de verlening van een subsidie voor VVE kunnen nog aanvullende voorwaarden worden opgenomen.

 

5.3 Evalueren en bijstellen

De beleidsregel OAB/VVE is opgesteld in samenspraak met een werkgroep. De leden uit de werkgroep zijn afkomstig uit het onderwijs, de kinderopvang en de peuterspeelzaal. Jaarlijks komt deze beleidsgroep samen, om te overleggen hoe de uitvoering van het OAB/VVE verloopt en of bijstellen nodig is. Aan de hand van de uitkomsten van de beleidsgroep wordt een evaluatie opgesteld. Deze wordt jaarlijks in het LEA behandeld. Hierbij moet ook worden bekeken of de definitie van de doelgroep nog voldoet, of de kinderen voldoende worden bereikt en of de toeleiding efficiënt verloopt. Waarnodig kan dit dus tussentijds worden bijgesteld. Daarnaast moet de doorgaande leerlijn worden geëvalueerd en moet worden bekeken hoe de vroegschoolse educatie op de basisscholen wordt uitgevoerd en of dit aansluit op de voorschoolse educatie.

 

5.4 Procedure opstellen en vaststellen beleid

Bij het opstellen van het beleid zijn de betrokken partijen gevraagd deel te nemen in een beleidsgroep. Zij hebben een aantal malen overleg gehad over het beleid, de doelen en doelgroep. Daarnaast is deze beleidsregel aan de Wmo-raad voorgelegd. Zij geven advies over alle beleidszaken die de samenleving aangaan. De beleidsregel heeft ook te inzage gelegen voor een ieder die belanghebbende is. Hiervan is een apart inzagenverslag gemaakt. Hierna is de beleidsregel aan de gemeenteraad voorgelegd te vaststelling.

 

Beleidsregel Voor- en Vroegschoolse Educatie 2011-2014

Beleidsregel Voor- en Vroegschoolse Educatie 2011-2014 (PDF)
Omschrijving: