Disclaimer

De informatie in dit onderdeel vormt geen bekendmaking in de zin van de Gemeentewet of de Algemene wet bestuursrecht. Alleen publicatie in Huis aan Huis, onder de kop Gemeentenieuws Oldebroek, heeft een officieel karakter.

U vindt onderstaand de geldende Algemeen Verbindende Voorschriften (verordeningen) en beleidsregels van de gemeente Oldebroek. In het onderdeel 'Concept regelgeving' vindt u de nog niet vastgestelde versies. Deze concept versies worden gebruikt tijdens de besluitvorming en hebben uitsluitend een informatief doel.

Zoeken in regelgeving

            

Verordening jeugdhulp gemeente Oldebroek

Voor deze verordening versie is geen samenvatting ingevoerd.

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie Gemeente Oldebroek
Vastgesteld door gemeenteraad
Officiële naam van de regeling Verordening Jeugdhulp Oldebroek 2018
Citeertitel van de regeling Verordening Jeugdhulp gemeente Oldebroek 2018
Onderwerp maatschappelijke zorg en welzijn
Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) Geen.
Opmerkingen m.b.t. de regeling Datum inwerkingtreding wijkt af van het bepaalde in art. 35, lid 1.
Betreft (aard van de wijziging) wijziging
Datum uitwerkingtreding
Datum inwerkingtreding 29-11-2018
Terugwerkende kracht (t/m)
Datum ondertekening 07-06-2018
Bron bekendmaking Gemeenteblad, 28-11-2018
Kenmerk voorstel 1001386

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Jeugdwet, artikel 2.9
  2. Jeugdwet, artikel 2.10
  3. Jeugdwet, artikel 2.10
  4. Jeugdwet, artikel 8.1.1., lid 3

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Datum uitwerkingtreding Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
29-11-2018 wijziging 07-06-2018
Gemeenteblad, 28-11-2018
1001386

Inhoudsopgave

Verordening Jeugdhulp gemeente Oldebroek 2018

     

Kenmerk 1001386

De raad van de gemeente Oldebroek;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 april 2018;

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 derde lid van de Jeugdwet;

overwegende dat ;

     de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd;

     het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;

     het noodzakelijk is om regels vast te stellen over:

-     de door het college te verlenen maatwerkvoorzieningen en overige voorzieningen;

-     de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een maatwerkvoorziening;

-     de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen;

-     de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;

-     de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoons¬gebonden budget, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;

-     de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;

B E S L U I T:

vast te stellen de navolgende

Verordening Jeugdhulp Oldebroek 2018

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

 

  1. 1.In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  1. a.algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand diepgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders;

 

  1. b.andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de wet;

 

  1. c.basisvoorziening: voorzieningen die gezien kunnen worden als regulier maatschappelijke voorzieningen binnen de gemeente, zoals: huisartsen, jongerenwerk, religieuze organisaties, onderwijs, kinderopvang, politie of verenigingen;

 

  1. d.budgethouder: degene die bevoegd is het persoonsgebonden budget te beheren dat wordt aangewend voor de bekostiging van de individuele voorziening voor de jeugdige of zijn ouders.

 

  1. e.gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders (zie: Gebruikelijke zorg van de CIZ-beleidsregels 2017);

 

  1. f.maatwerkvoorziening: een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die door of namens het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt op basis van een besluit of beschikking, een verwijzing huisarts, medisch specialist of jeugdarts, of van een functionaris in justitieel kader als bedoeld in de wet (voorheen ook wel individuele voorziening genoemd);

 

  1. g.ondersteuningsplan: Plan waarin de doelen en gewenste resultaten staan beschreven. Dit plan kan als leidraad dienen voor de in te zetten ondersteuning. Bij de verstrekkingvorm pgb is dit plan verplicht om in te vullen door de budgethouder.

 

  1. h.ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder, als bedoeld in artikel 1.1. van de wet

 

  1. i.persoonsgebonden budget (pgb): het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of ouder, dat hem in staat stelt de jeugdhulp die tot de maatwerkvoorziening behoort van derden te betrekken;

 

  1. j.sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de jeugdige of zijn ouders  een sociale relatie onderhoudt, waaronder familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden en kennissen;

 

  1. k.Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de wet;

 

  1. l.wet: Jeugdwet.

 

  1. 2.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene verordening gegevensbescherming.

 

Hoofdstuk 2. Algemene voorzieningen

 

Artikel 2. Toegang algemene voorziening

Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder toegangsbeoordeling of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling.

 

Artikel 3. Beschikbare algemene voorzieningen

  1. 1.De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar:

 

  1. a.Informatie- en (opvoed)advies;

  2. b.Voorlichting, cursussen en trainingen;

  3. c.Jeugdgezondheidszorg (JGZ);

  4. d.Jongeren coaching en participatiebevordering (Jeugd en jongerenwerk);

  5. e.Ambulante ondersteuning en jeugdhulp door basisvoorzieningen.

  1. 2.Het college kan nadere regels vaststellen over welke algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.

 

Hoofdstuk 3. Maatwerkvoorzieningen

 

Paragraaf 1. Voorzieningen

 

Artikel 4. Beschikbare maatwerkvoorzieningen

1.     De volgende niet-limitatieve lijst aan maatwerkvoorzieningen zijn beschikbaar:

  • Ambulante Specialistisch GGZ-behandeling (thuis en op locatie van aanbieder);

  • Ambulante opvoedhulp (thuis en op locatie van aanbieder);

  • Ambulante begeleiding van verstandelijk/lichamelijk beperkte jeugd(thuis en op locatie van aanbieder);

  • Ambulante basis GGZ (thuis en op locatie van aanbieder);

  • Dyslexie Jeugdhulp ;

  • Pleegzorg ;

  • Gezinshuizen/mentorhuizen;

  • Overige verblijfvormen (inclusief bovenregionale), inclusief begeleiding en behandeling;

  • Jeugdbescherming en – reclassering.

 

2.     Het college kan nadere regels vaststellen over welke maatwerkvoorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn;

 

Paragraaf 2. Toegang procedureel

 

Artikel 5. Aanvraag

  1. 1.Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens een jeugdige of ouder schriftelijk worden ingediend bij het college, of de daartoe gemandateerde organisatie;

  2. 2.Als een maatwerkvoorziening in natura niet passend wordt geacht, kunnen de jeugdige of zijn ouders in de aanvraag vermelden een persoonsgebonden budget te wensen. Daarbij geven de jeugdige of zijn ouders in een ondersteuningsplan in ieder geval aan:

  1. a.wat de voorgenomen uitvoering van de maatwerkvoorziening is, inclusief uitvoerder en kosten;

  2. b.wat de kwalificaties van de uitvoerder zijn, en;

  3. c.waarom het aanbod van de door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder niet passend is naar het oordeel van de jeugdige of zijn ouders.

  1. 3.Indien jeugdhulp wordt ingezet na verwijzing als bedoeld in artikel 6 lid 4 of in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, kan door of namens de jeugdige of zijn ouders een aanvraag voor een pgb worden ingediend als het natura-aanbod niet passend wordt geacht. Bij die aanvraag, in de vorm van een ondersteuningsplan, moet in ieder geval worden aangegeven:

  1. a.wat de voorgenomen uitvoering van de maatwerkvoorziening is, inclusief uitvoerder en kosten;

  2. b.wat de kwalificaties van de uitvoerder zijn, en;

  3. c.waarom het aanbod van de door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder niet passend is naar het oordeel van de jeugdige of zijn ouders.

  1. 4.Als de jeugdhulp betrekking heeft op een ander dan de aanvrager, behoeft de aanvraag de instemming van de jeugdige of zijn ouders waarop de aanvraag betrekking heeft.

  2. 5.Heeft de aanvraag betrekking op een minderjarige:

  1. a.die jonger is dan 12 jaren, of;

  2. b.die ouder is dan 12 jaren en niet in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, dan is niet de instemming van de minderjarige vereist, maar van diens wettelijke vertegenwoordiger.

6.     Heeft de aanvraag betrekking op een minderjarige die de leeftijd van 12 maar nog niet die van 16 jaren heeft bereikt, dan behoeft de aanvraag de instemming van zowel de minderjarige als de wettelijke vertegenwoordiger, mits de minderjarige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Weigert de wettelijke vertegenwoordiger in te stemmen met de aanvraag, dan zal het college de aanvraag toch in behandeling nemen als de jeugdhulp voor de minderjarige kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de minderjarige te voorkomen, alsmede indien de minderjarige ook na de weigering van de toestemming de jeugdhulp weloverwogen blijft wensen.

7.     Heeft de aanvraag betrekking op een jeugdige met de leeftijd van 16 of 17 jaar, dan behoeft de aanvraag géén instemming van de wettelijk vertegenwoordiger, mits de jeugdige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zaken.

8.     Degenen die een aanvraag indienen voor een maatwerkvoorziening, verstrekken het college of de daartoe gemandateerde organisatie in ieder geval een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

9.     Als de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige of ouder voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken:

  1. a.als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en;

  2. b.voor zover het college de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.”

10.     Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure voor de aanvraag van een maatwerkvoorziening.

 

Artikel 6. Toegang en besluit

  1. 1.Het college, of de daartoe gemandateerde organisatie, legt de beslissing omtrent het al dan niet verlenen van een maatwerkvoorziening vast in een beschikking, in ieder geval

  1. a.als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken

  2. b.in het geval het college afwijkt van het oordeel van de genoemde jeugdhulpaanbieder

  3. c.bij een afwijzing

  4. d.als een PGB wordt verstrekt.

  1. 2.Het college, of de daartoe gemandateerde organisatie, neemt het besluit als bedoeld in het eerste lid op grond van de aanvraag als bedoeld in artikel 5 en het onderzoek als bedoeld in artikel 8.

  2. 3.In spoedeisende gevallen treft het college, of de daartoe gemandateerde organisatie, zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 72 uur een passende voorziening. Het college, of de daartoe gemandateerde organisatie, legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, doch in ieder geval binnen twee weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

  3. 4.Het college, of de daartoe gemandateerde organisatie, draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. Het college, of de daartoe gemandateerd organisatie.

  4. 5.Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Tevens draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) of de selectiefunctionaris van de JJI nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing. Hiervoor verleent het college geen beschikking.

 

Artikel 7. Inhoud beschikking

  1. 1.In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt.

  2. 2.Bij het verstrekken van een voorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval:

  1. a.welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is;

  2. b.de ingangsdatum en duur van de verstrekking;

  3. c.de termijn waarna de beschikking wordt ingetrokken; zoals vermeld onder artikel 18 lid 4 van deze verordening.

  4. d.of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt, en indien van toepassing;

  5. e.welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  1. 3.Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval:

  1. a.aan welk resultaat het pgb moet worden besteed;

  2. b.welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

  3. c.de hoogte van het pgb en hoe deze is bepaald;

  4. d.de duur van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;

  5. e.de termijn waarna de beschikking wordt ingetrokken, zoals vermeld onder artikel 18 lid 4  van deze verordening;

  6. f.de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  1. 4.Bij het besluit wordt aan de belanghebbende informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en zijn ouders op grond van de wet, de verordening en de nadere regels.

  2. 5.Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van de beschikking.

 

Paragraaf 3. Beoordeling

 

Artikel 8. Onderzoek

  1. 1.Het college, of de daartoe gemandateerde organisatie, onderzoekt in een gesprek met de jeugdige of zijn ouders zo spoedig mogelijk de hulpvraag, hierbij wordt rekening gehouden met:

    1. a.de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige of zijn ouders en het probleem of de hulpvraag;

    2. b.het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;

    3. c.de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;

    4. d.de mogelijkheden om de hulpvraag te beantwoorden door het inzetten van een algemene voorziening;

    5. e.de mogelijkheden om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

    6. f.de mogelijkheden om de hulpvraag te beantwoorden met gebruikelijke hulp.

    7. g.de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;

    8. h.hoe rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.

    9. i.de hulp welke hulp geboden kan worden vanuit ouders en/of het sociale netwerk.

  1. 2.Het college, of de daartoe gemandateerde organisatie, dient na onderzoek vast te stellen of er sprake is van opgroei- en/of opvoedingsproblemen en welke problemen en/of stoornissen dit zijn.

  2. 3.Het college, of daartoe gemandateerde organisatie, dient na vaststelling van eventuele opgroei- en/of opvoedingsproblemen te bepalen welke hulp naar aard en omvang noodzakelijk is voor de jeugdige of het gezin.

  3. 4.Het college, of de daartoe gemandateerde organisatie kan informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts of het onderwijs, en met deze in gesprek gaan over de meest aangewezen hulp.

  4. 5.Wanneer een maatwerkvoorziening aangewezen is, wordt de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn.

  5. 6.Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.

 

Artikel 9. Criteria maatwerkvoorzieningen

  1. 1.Jeugdigen of ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor zover:

    1. a.zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder in ieder wordt verstaand gebruikelijk hulp of hulp van andere personen uit het sociale netwerk;

    2. b.zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een algemene voorziening, of;

    3. c.zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een andere voorziening.

  1. 2.Het college kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de algemene criteria, zoals genoemd in het eerste lid, of ter bepaling van specifieke criteria voor bepaalde maatwerkvoorzieningen.

 

Paragraaf 4 Beoordeling persoonsgebonden budget

 

Artikel 10. Voorwaarden pgb

  1. 1.Het college kan een pgb toekennen aan de jeugdige, dan wel zijn ouders/ verzorgers, indien:

 

    1. a.De jeugdige dan wel zijn ouders/verzorgers een ondersteuningsplan/familiegroepsplan hebben opgesteld, waarin onder ander benoemd is:

  1. 1.Dat individuele jeugdhulp nodig is;

  2. 2.Hoe het pgb besteed gaat worden;

  3. 3.Welke resultaten behaald gaan worden met het pgb.

  1. b.De jeugdige dan wel zijn ouders/verzorgers in staat worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen;

  2. c.De jeugdige dan wel zijn ouders/verzorgers kunnen motiveren dat de door het college gecontracteerde individuele jeugdhulpvoorzieningen niet passend zijn;

  3. d.De jeugdhulp die met het pgb wordt ingekocht volgens het college van voldoende kwaliteit is.

  1. 2.De jeugdige dan wel ouders/verzorgers worden geacht voldoende in staat te zijn tot een redelijke         waardering van zijn belangen, als zij zelfstandig of met behulp van zijn netwerk, danwel curator, bewindvoerder of gemachtigde:

    1. a.duidelijk kunnen maken welke problemen worden ervaren en bij welke ondersteuning zij gebaat zouden zijn;

    2. b.de taken, die aan het pgb zijn verbonden, op verantwoorde wijze kunnen uitvoeren.

  1. 3.De budgethouder of gemachtigde budgethouder mag niet tevens de zorgverlener van de jeugdige zijn, tenzij het om de ouder of verzorger van de jeugdige gaat.

  2. 4.Jeugdhulp geboden door professionele en specialistische jeugdhulpaanbieders moet om als jeugdhulp van voldoende kwaliteit beoordeeld te worden in ieder geval voldoen aan de eisen die de Jeugdwet aan de aanbieders van jeugdhulp in natura worden gesteld.

 

Artikel 11. Ondersteuningsplan

Als een jeugdige dan wel zijn ouders/verzorgers de jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient daartoe een ondersteuningsplan te worden ingediend. In dit plan wordt door de jeugdige dan wel zijn ouders/verzorgers aangegeven:

    1. a.wat hij met het pgb wenst in te kopen en welk resultaat hij wenst te behalen;

    2. b.waarom hij de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen en waarom de inzet van een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder niet passend is;

    3. c.hoe hij de ondersteuning wenst te organiseren en de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening;

    4. d.op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd;

    5. e.een onderbouwde begroting.

 

Artikel 12. Kosten die zijn uitgesloten

De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb:

    1. a.Kosten voor begeleiding en bemiddeling

    2. b.Kosten voor coördinatie

    3. c.Kosten voor crisishulp/crisisopvang

  1. b.Kosten voor een vrij besteedbaar bedrag en vrijwilligersvergoeding

  2. c.Kosten voor het voeren van een pgb-administratie

  3. d.Kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering

  4. e.kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers

  5. f.kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb

 

Artikel 13. Sociaal netwerk

De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, voor zover:

  1. 1.de geboden hulp passend, adequaat en veilig is,

  2. 2.de personen uit het sociale netwerk die de hulp gaan verlenen, zich voldoende op de hoogte hebben gesteld van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van jeugdhulp verbonden zijn,

  3. 3.er bij de personen uit het sociale netwerk die de hulp gaan bieden geen sprake is van overbelasting,

  4. 4.de in te zetten jeugdhulp geen ggz-behandeling betreft.

 

Artikel 14. Onderscheid formele en informele hulp

  1. 1.Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de budgethouder:

    1. a.personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;

    2. b.personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;

    3. c.personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.

  1. 2.Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp.

  2. 3.Indien de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a, b of c, is sprake van informele hulp.

 

Artikel 15. De hoogte van het pgb

  1. 1.De hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt 75 % van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura, mits dit toereikend is.

  2. 2.De hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt 75 % van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura, tenzij op basis van het door de jeugdige en/of zijn ouders ingediende ondersteuningsplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.

  3. 3.Het tarief voor een pgb voor informele hulp wordt vastgesteld op het bedrag dat in die situatie gehanteerd wordt bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg.

  4. 4.Het maximale tarief voor vervoer is:

    1. a.indien de jeugdige per auto wordt vervoerd, € 0,19 per kilometer;

    2. b.indien de jeugdige per (rolstoel)taxi wordt vervoerd, wordt voor de maximale tarieven voor taxivervoer uitgegaan van de tarieven genoemd op de website www.kilometerafstanden.nl.

 

Artikel 16. Nadere regels

Het college dient nadere regels vast te stellen ten aanzien de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen.

 

Hoofdstuk 4. Gegevensverwerking

 

Artikel 17. Privacy

  1. 1.Het college of de daartoe gemandateerde organisatie verwerkt geen persoonsgegevens van een jeugdige of ouder, tenzij dit voor de uitvoering van de wet noodzakelijk is.

  2. 2.Het college legt de afspraken over het verwerken van persoonsgegevens vast in een werkinstructie.

 

Hoofdstuk 5. Herziening, intrekking, terugvordering en controle

 

Artikel 18. Herziening, intrekking en terugvordering

  1. 1.Degene aan wie krachtens deze verordening een maatwerkvoorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening.

  2. 2.Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, herzien, intrekken of beëindigen als het college vaststelt dat:

    1. a.de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    2. b.de jeugdige of zijn ouders niet langer op de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;

    3. c.de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten;

  1. b.de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het pgb, of

  2. c.de jeugdige of zijn ouders de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.

  1. 3.Als het college een besluit op grond van het tweede lid, sub a, heeft herzien, ingetrokken of beëindigd kan het college de geldswaarde vorderen van het teveel of ten onrechte genoten pgb.

  2. 4.Een besluit tot verlening van een persoonsgebonden budget kan, nadat de reden is nagegaan, worden ingetrokken als blijkt dat het budget binnen 3 maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

 

Artikel 19. Controle

  1. 1.Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt dan wel besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.

  2. 2.Het college kan nadere regels stellen in het kader van de Jeugdwet omtrent bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening, alsmede misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

 

Hoofdstuk 6. Afstemming met andere voorzieningen

 

Artikel 20. Gezondheidszorg

  1. 1.Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel g van de wet en artikel 6 lid 4 van deze verordening, plaatsvindt.

  2. 2.Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) hoe de continuïteit van zorg te garanderen voor jeugdigen die in behandeling zijn en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg komen te vallen, en hoe te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader.

  3. 3.Het college draagt zorg dat de jeugdige en/of zijn ouders ondersteund worden richting het CIZ, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg.

 

Artikel 21. Gecertificeerde instellingen

  1. 1.Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de aansluiting tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 2 en de gecertificeerde instellingen.

  2. 2.Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over:

    1. a.het overleg over de aangewezen jeugdhulp in het kader van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, zoals bedoeld in artikel 3.5 lid 1 van de wet,

    2. b.het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;

  1. b.de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt,

  2. c.wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een persoonsgebonden budget kan zijn namens de jeugdige en zijn ouders,

  3. d.hoe te handelen wanneer de gecertificeerde instelling meent dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet dient te worden.

  1. 3.Het college en de gecertificeerde instelling leggen de afspraken als bedoeld in het tweede lid vast in een protocol als bedoeld in artikel 3.5 lid 3 lid van de wet.

 

Artikel 22. Justitiedomein

  1. 1.Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichtingen over het overleg over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de wet.

  2. 2.Het college en de betrokken instellingen nemen de afspraken zoals bedoeld in het eerste lid op in het protocol zoals bedoeld in artikel 21 lid 3 van deze verordening en het protocol bedoeld in artikel 3.1 lid 5 van de wet.

 

Artikel 23. Voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht

  1. 1.Het college zorgt ervoor dat alle locaties voor kinderopvang, primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs een contactpersoon hebben bij het CJG.

  2. 2.Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in lid 1 genoemde contactpersonen en de leerplichtambtenaren.

  3. 3.Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken worden vastgelegd in het ondersteuningsplan van de jeugdige en/of zijn ouders.

 

Artikel 24. Veilig Thuis

Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en maatwerkvoorzieningen.

 

Artikel 25. Wmo‐voorzieningen

  1. 1.Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  2. 2.Het college draagt zorg voor een goede afstemming van de voorzieningen voor jeugdigen op grond van deze verordening en voorzieningen voor volwassenen, zijnde ouders, op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  3. 3.Het college draagt zorg voor de continuïteit van zorg onder zijn verantwoordelijkheid wanneer de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt.

 

Artikel 26. Voorzieningen werk en inkomen

Het college draagt zorg dat het CJG, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig jeugdigen en hun ouders helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen, armoedevoorzieningen – te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen.

 

Hoofdstuk 7. Verhouding prijs en kwaliteit

 

Artikel 27. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermings-maatregelen en jeugdreclassering

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermings¬maatregelen of jeugdreclassering, rekening met:

 

    1. a.de aard en omvang van de te verrichten taken;

    2. b.de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

    3. c.een redelijke toeslag voor overheadkosten;

    4. d.een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

    5. e.kosten voor bijscholing van het personeel.

 

Hoofdstuk 8. Vertrouwenspersoon, klachten en medezeggenschap

 

Artikel 28. Vertrouwenspersoon

  1. 1.Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

  2. 2.Het college wijst jeugdigen, ouders en pleegouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

 

Artikel 29. Klachtregeling

Het college behandelt klachten van de jeugdige of zijn ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening overeenkomstig de klachten¬regeling van de gemeente Oldebroek.

 

Artikel 30. Inspraak en medezeggenschap

  1. 1.Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  2. 2.Het college stelt de jeugdige of zijn ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  3. 3.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  4. 4.Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.

 

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

 

Artikel 31. Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eens per twee jaar geëvalueerd.

 

Artikel 32. Toezichthouder

De gemeente kan een toezichthouder aanwijzen die namens de gemeente toezicht houdt op de kwaliteit van de Jeugdhulp.

 

Artikel 33. Hardheidsclausule

Het college kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouders afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

 

Artikel 34. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

      1. 1.De Verordening Jeugdhulp gemeente Oldebroek (2014) wordt ingetrokken.

      2. 2.Een jeugdige of ouder houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening Jeugdhulp gemeente Oldebroek (2014), totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

      3. 3.Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Jeugdhulp gemeente Oldebroek (2014) en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

 

Artikel 35. Inwerkingtreding en citeertitel

  1. 1.Deze verordening treedt in werking op: 1 juli 2018.

  2. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp gemeente Oldebroek 2018.

 

Aldus besloten in de openbare vergadering

van de gemeenteraad van Oldebroek

op 7 juni 2018.

 

                , voorzitter mr. A. Hoogendoorn,

 

          , griffier J. Tabak.

 

 

 

TOELICHTING op de Verordening Jeugdhulp gemeente Oldebroek 2018

TOELICHTING op de Verordening Jeugdhulp gemeente Oldebroek 2018 (LNK)
Omschrijving: