Disclaimer

De informatie in dit onderdeel vormt geen bekendmaking in de zin van de Gemeentewet of de Algemene wet bestuursrecht. Alleen publicatie in Huis aan Huis, onder de kop Gemeentenieuws Oldebroek, heeft een officieel karakter.

U vindt onderstaand de geldende Algemeen Verbindende Voorschriften (verordeningen) en beleidsregels van de gemeente Oldebroek. In het onderdeel 'Concept regelgeving' vindt u de nog niet vastgestelde versies. Deze concept versies worden gebruikt tijdens de besluitvorming en hebben uitsluitend een informatief doel.

Zoeken in regelgeving

            

Verordening individuele studietoeslag 2015 gemeente Oldebroek

Voor deze verordening versie is geen samenvatting ingevoerd.

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie Gemeente Oldebroek
Vastgesteld door gemeenteraad
Officiële naam van de regeling Verordening individuele studietoeslag 2015 gemeente Oldebroek
Citeertitel van de regeling Verordening individuele studietoeslag 2015
Onderwerp maatschappelijke zorg en welzijn
Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) Geen.
Opmerkingen m.b.t. de regeling Geen.
Betreft (aard van de wijziging) nieuwe regeling
Datum uitwerkingtreding
Datum inwerkingtreding 01-01-2015
Terugwerkende kracht (t/m)
Datum ondertekening 27-11-2014
Bron bekendmaking Gemeenteblad, 04-12-2014
Kenmerk voorstel Onbekend.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Participatiewet, artikel 8., lid 1., onderdeel c.
  2. Participatiewet, artikel 8., lid 3
  3. Participatiewet, artikel 36.b

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Datum uitwerkingtreding Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
01-01-2015 nieuwe regeling 27-11-2014
Gemeenteblad, 04-12-2014
Onbekend.

Verordening individuele studietoeslag 2015

 

Kenmerk:  184267

 

De raad van de gemeente Oldebroek;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 oktober 2014;

 

gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c en derde lid en artikel 36b van de Participatiewet;

 

B E S L U I T:

 

vast te stellen de Verordening individuele studietoeslag 2015 gemeente Oldebroek:

 

 

 

Artikel 1.         Begrippen

Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet.

 

Artikel 2.         Indienen verzoek

1.     Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid van de Participatiewet wordt ingediend door middel van een door het college beschikbaar gesteld formulier.

2.     De aanspraak op een individuele studietoeslag ontstaat niet eerder dan de dag van aanvraag.

3.     Het college kan bij het beoordelen van vervolgrechten ambtshalve beslissen.

 

Artikel 3.         Advies over oordeel verdienen wettelijk minimumloon

Het college kan advies inwinnen over het oordeel of een persoon niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie overeenkomstig het gestelde in artikel 36b van de Participatiewet.

 

Artikel 4.         Aanspraak op individuele studietoeslag

1.     Een persoon kan slechts eenmaal in een studiejaar in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag.

2.     Het studiejaar bedoeld in het eerste lid loopt van 1 augustus tot 1 augustus.

 

Artikel 5.         Hoogte individuele studietoeslag

1.     Een individuele studietoeslag bedraagt € 1.200,00 per studiejaar.

2.     Indien  ten tijde van de aanvraag over een gedeelte van een studiejaar aanspraak bestaat op een studietoeslag, is de hoogte van de studietoeslag naar rato.

3.     Het bedrag genoemd in het eerste lid wordt jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.

 

Artikel 6.         Betaling individuele studietoeslag

1.     De studietoeslag wordt in twee gedeelten verdeeld over het studiejaar uitbetaald.

2.     Voor de betaling van de tweede termijn wordt beoordeeld of de aanvrager nog tot de doelgroep behoort.

 

Artikel 7.         Afwijken individueel geval

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien onverkorte toepassing daarvan zou leiden tot onredelijkheid of onbillijkheid.

 

Artikel 8.         Inwerkingtreding en intrekking oude verordening

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.

 

Artikel 9.        Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele studietoeslag 2015.

 

Aldus besloten in de openbare vergadering

van de gemeenteraad van Oldebroek

op 27 november 2014.

 

 

     , voorzitter mr. A. Hoogendoorn,

 

 

 

     , griffier J. Tabak.

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemene toelichting

 

Algemeen

De invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de Participatiewet: de individuele studietoeslag. Hiermee krijgt het college de mogelijkheid mensen, van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn het minimumloon te verdienen, een individuele studietoeslag te verstrekken als ze studeren. Het afronden van een studie versterkt de positie op de arbeidsmarkt. Een diploma is een bewijs tegenover werkgevers dat iemand gemotiveerd is en veel in zijn mars heeft.

 

Mensen met een arbeidshandicap hebben volgens de regering een extra steuntje in de rug nodig als het gaat om studeren. Voor hen is de drempel om te lenen een stuk hoger, omdat de kans op een baan later lager is. Een studieregeling stimuleert mensen om toch de stap te zetten om naar school te gaan of een studie te gaan volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan (TK 2013-2014, 33 161, nr. 125, p.2).

 

De individuele studietoeslag moet worden aangemerkt als een vorm van bijzondere bijstand (artikel 5, onderdeel d, van de Participatiewet). De individuele studietoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor mensen van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn het minimumloon te verdienen.

 

Verordeningsplicht

De Invoeringswet Participatiewet legt de gemeenteraad de verplichting op in een verordening regels te stellen over het verlenen van een individuele studietoeslag. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in artikel 8, eerste lid, onderdeel c van de Participatiewet. De regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de hoogte en de frequentie van de betaling van de individuele studietoeslag (artikel 8, derde lid van de Participatiewet).

 

Doelgroep

In artikel 36b, eerste lid van de Participatiewet is omschreven wie tot de doelgroep wordt gerekend, namelijk de persoon die op de datum van de aanvraag:

     18 jaar of ouder is;

     recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;

     geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft; en

     een persoon is van wie is vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon met arbeid, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

Deze afbakening geldt als geheel, zodat aan elke voorwaarde moet zijn voldaan. Beschikt iemand bijv. over meer vermogen dan het in artikel 34 van de Participatiewet vrij gelaten vermogen, dan voldoet hij dus niet aan alle voorwaarden en behoort daarmee niet tot de doelgroep.

 

Bij de vaststelling van deze verordening is in de wet nog expliciet opgenomen dat iemand niet in staat moet zijn om met voltijdse arbeid het minimumloon te verdienen. Inmiddels is een amendement aangenomen en heeft de staatssecretaris toegezegd voor de inwerkingtreding van de Participatiewet bepalingen in de wet op te nemen , waarbij ook rekening gehouden wordt met personen met een medische urenbeperking. De exacte uitwerking in de wet is op dit moment nog onbekend. Door de huidige omschrijving in artikel 3 en de verwijzing van de wet is geregeld dat deze verordening te allen tijde aansluit op de bepalingen in de wet.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1.      Begrippen

Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.

 

Artikel 2.     Indienen verzoek

In de wet is vastgelegd dat een persoon een verzoek tot verlening van een individuele studietoeslag kan indienen.

Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden ingediend, bepaalt artikel 2, eerste lid, van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan middels een door het college ter beschikking gesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid van de Awb).

 

De aanspraak op een individuele studietoeslag ontstaat niet eerder dan op de datum van aanvraag.

Op deze wijze kan het college de actuele situatie onderzoeken en daarmee beoordelen of aan alle gestelde voorwaarden wordt voldaan.

 

Artikel 3.      Advies over oordeel verdienen wettelijk minimumloon

Artikel 36b, eerste lid van de Participatiewet regelt in welke gevallen het college op verzoek van een persoon, gelet op diens individuele omstandigheden, een individuele toeslag kan verlenen. In de algemene inleiding is op de doelgroep nader ingegaan.

Als het college op basis van overgelegde stukken of uit bij de gemeente al bekende informatie al kan bepalen dat een persoon tot de doelgroep behoort, is een aanvullend of extern onderzoek niet noodzakelijk.  In sommige gevallen is het inwinnen van een extern advies gewenst. Dit artikel biedt hiervoor de basis.

 

Artikel 4.     Aanspraak op individuele studietoeslag

Een persoon kan slechts eenmaal binnen een studiejaar in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. Voor de begripsbepaling is aangesloten bij het gebruikelijke studiejaar, dat loopt van 1 augustus tot 1 augustus.

 

Artikel 5.      Hoogte individuele studietoeslag

In dit artikel is de hoogte van de individuele studietoeslag geregeld. Hierbij wordt de studietoeslag per persoon die voldoet aan de voorwaarden toegekend. De toeslag bedraagt € 1.200,00 per studiejaar. Wanneer het studiejaar bij de aanvraag al gedeeltelijk is verstreken dan bestaat er – mits aan de voorwaarden wordt voldaan – aanspraak op de toeslag naar rato.

Deze omrekening naar rato wordt niet gedaan bij beëindiging van de toeslag. Wanneer iemand recht heeft per 1 augustus en vervolgens stopt met zijn studie wordt niet teruggevorderd. Twee maal per jaar namelijk op 1 augustus en op 1 februari wordt beoordeeld of een persoon aan de voorwaarden voldoet.

 

De hoogte van de individuele studietoeslag is niet in de Participatiewet voorgeschreven. Het UWV hanteert als norm 25% van het minimumjeugdloon. In den lande komen verschillende bedragen voor, variërend van € 68,00 tot € 375,00 per maand.

Voor het bepalen van de hoogte van de individuele studietoeslag is gezocht naar een bedrag dat een substantiële bijdrage vormt, maar niet buitenproportioneel is. Wanneer we kijken naar de bandbreedte van de bijstandsnorm dan loopt dit op dit moment van ongeveer € 235 (voor een thuiswonende jongere van 18 tot en met 20 jaar) tot ongeveer € 680 (voor een uitwonende alleenstaande schoolverlater van 23 jaar of ouder).

Om de administratieve lasten te beperken wordt gekozen voor een vast jaarbedrag en geen percentage van bijvoorbeeld de uitkeringsnorm of het minimumloon. Het substantiële bedrag  hebben wij gevonden door driemaal de individuele inkomenstoeslag te nemen voor een alleenstaande en dit naar boven af te ronden op een honderdtal.

 

Is sprake van gehuwden die allebei afzonderlijk voldoen aan de voorwaarden voor een individuele studietoeslag, dan komen zij afzonderlijk in aanmerking voor de toeslag.

 

In het derde lid is een indexeringsbepaling opgenomen. Deze bepaling voorkomt dat de verordening telkens opnieuw moet worden vastgesteld, enkel voor indexatie van de bedragen.

 

Artikel 6.      Betaling individuele studietoeslag

In dit artikel wordt de frequentie van de betaling van de individuele toeslag geregeld.

 

Nadat positief op het verzoek om een individuele studietoeslag is beslist, wordt het in artikel 5 genoemde bedrag halfjaarlijks uitbetaald. Dit gebeurt gewoonlijk in september en maart. De toeslag betreft eenmalige bijzondere bijstand. Eenmalige bijzondere bijstand is onbelast en de toeslag heeft daardoor geen gevolgen voor andere inkomensafhankelijke toeslagen zoals huurtoeslag en zorgtoeslag.

 

Doorgaans kan een persoon ook tussentijds starten met een opleiding. Voor de beoordeling of hij in aanmerking komt voor een individuele studietoeslag wordt de situatie op de datum van de aanvraag beoordeeld (artikel 36b, eerste lid van de Participatiewet). Om die reden is in het tweede lid van dit artikel van de verordening geregeld dat voordat tot een tweede uitbetaling wordt overgegaan, onderzocht wordt of de persoon in kwestie nog voldoet aan de voorwaarden van artikel 36b, eerste lid van de Participatiewet.

 

Artikel 7, 8. en 9.

Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.