Disclaimer

De informatie in dit onderdeel vormt geen bekendmaking in de zin van de Gemeentewet of de Algemene wet bestuursrecht. Alleen publicatie in Huis aan Huis, onder de kop Gemeentenieuws Oldebroek, heeft een officieel karakter.

U vindt onderstaand de geldende Algemeen Verbindende Voorschriften (verordeningen) en beleidsregels van de gemeente Oldebroek. In het onderdeel 'Concept regelgeving' vindt u de nog niet vastgestelde versies. Deze concept versies worden gebruikt tijdens de besluitvorming en hebben uitsluitend een informatief doel.

Zoeken in regelgeving

            

Beleidsregels bijzondere bijstand 2017

Voor deze verordening versie is geen samenvatting ingevoerd.

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie Gemeente Oldebroek
Vastgesteld door college van burgemeester en wethouders
Officiële naam van de regeling Beleidsregel Bijzondere Bijstand Gemeente Oldebroek 2015
Citeertitel van de regeling Beleidsregel Bijzondere Bijstand Gemeente Oldebroek 2015
Onderwerp maatschappelijke zorg en welzijn
Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) Geen.
Opmerkingen m.b.t. de regeling Geen.
Betreft (aard van de wijziging) nieuwe regeling
Datum uitwerkingtreding 17-06-2017
Datum inwerkingtreding 11-07-2015
Terugwerkende kracht (t/m) 14-04-2015
Datum ondertekening 10-07-2015
Bron bekendmaking Gemeenteblad: 10-07-2015
Kenmerk voorstel Onbekend.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Participatiewet, artikel 35

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Datum uitwerkingtreding Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
11-07-2015 14-04-2015 17-06-2017 nieuwe regeling 10-07-2015
Gemeenteblad: 10-07-2015
Onbekend.

Inhoudsopgave

Beleidsregels bijzondere bijstand 2015 Oldebroek

 

 

Kenmerk: 207088

 

 

 

1 Recht op bijzondere bijstand

 

1.1 Inleiding en achtergrond

De bijzondere bijstand is wettelijk geregeld in artikel 35 van de Participatiewet (P-wet). De invulling en uitvoering van het bijzondere bijstandsbeleid bepaalt het college van B&W. Het college heeft beleidsvrijheid bij de vaststelling van de draagkracht, de draagkrachtperiode van de belanghebbende en bij de bepaling van de inhoud van het bijzondere bijstandsbeleid. In deze beleidsregels wordt uitgewerkt hoe het college invulling geeft aan haar beleidsvrijheid ten aanzien van de verstrekking van bijzondere bijstand.

Deze beleidsregels vervangen volledig de voorgaande beleidsregels. Separaat zijn beleidsregels vastgesteld voor chronisch zieken en gehandicapten, de individuele inkomenstoeslag en voor een activiteitenbijdrage. Daarnaast is er een verordening individuele studietoeslag.

 

1.2 Moment aanvragen bijzondere bijstand (terugwerkende kracht)

Uitgangspunt is dat een aanvraag voor bijzondere bijstand moet worden ingediend voordat de kosten zijn gemaakt. Hierop wordt de volgende uitzondering gemaakt: de eigen bijdrage in het kader van de zorgverzekering, tenzij de kosten langer dan zes maanden voorafgaande aan de aanvraag zijn gemaakt.

 

1.3 Voorliggende voorziening

 

Algemeen

Een voorliggende voorziening is elke voorziening waarop de aanvrager aanspraak kan maken. (Art. 5, onder e, Participatiewet) Het gaat dan om regelingen die bedoeld zijn om (deels) in bepaalde kosten te voorzien. De aanvrager kan er rechten aan ontlenen of ontvangt die zonder aanvraag op grond van wettelijke regels.

 

Passend en toereikend

Artikel 15. Voorliggende voorziening Participatiewet bepaalt dat er geen recht op bijstand is als de klant een beroep kan doen op een voorliggende voorziening, die passend en toereikend moet worden geacht voor bepaalde kosten.

 

1.4 Individualisering

De bijstand wordt afgestemd op de omstandigheden van persoon en gezin. Bij aanvragen voor bijzondere bijstand is dit essentieel. Of kosten bijzonder en noodzakelijk zijn, bekijk je individueel, met inachtneming van de richtlijnen van deze beleidsregels. Zie verder de hoofdstukken over kostensoorten.

 

1.5 Ondergrens wettelijke eigen bijdrage

 

Inkomensafhankelijke eigen bijdrage

Voor veel voorzieningen geldt een inkomensafhankelijke wettelijke eigen bijdrage, bijvoorbeeld is dat de eigen bijdrage voor hulp bij het huishouden in het kader van de Wmo 2015.Vergoeding van de inkomensafhankelijke eigen bijdragen is niet mogelijk.

 

Wettelijke eigen bijdrage: niet inkomensafhankelijk

Voor de niet-inkomensafhankelijke wettelijke eigen bijdrage is bijzondere bijstand mogelijk. Hierbij wordt een ondergrens gehanteerd van € 100,00 per kalenderjaar. Dit bedrag dient de klant per kalenderjaar in ieder geval zelf te betalen. Zijn de kosten hoger dan de ondergrens of maakt de klant gebruik van meer voorzieningen met een eigen bijdrage, dan is vergoeding van het meerdere uit de bijzondere bijstand mogelijk.

 

1.6 Besparingskosten

Besparingskosten zijn kosten, die de aanvrager ook zou moeten maken als er geen bijzondere omstandigheden waren. Bij een aanvraag om bijzondere bijstand voor het eigen aandeel in de kosten, ga je na of er ook nog besparingskosten zijn. Van besparingskosten is bijvoorbeeld sprake bij orthopedisch schoeisel. Want iedereen besteedt van tijd tot tijd geld aan schoenen. Alleen de meerkosten worden vergoed. Het bedrag van de besparingskosten wordt ten hoogste vastgesteld op twee-derde gedeelte van het bedrag voor deze voorziening zoals deze in de Nibud gids is vastgesteld.

 

2. Hoogte en vorm van de bijstand

De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald door de hoogte van de kosten en de draagkracht van de belanghebbende.

 

2.1 In aanmerking te nemen middelen voor draagkracht

 

In aanmerking te nemen inkomen

Van het in aanmerking te nemen inkomen worden de middelen bedoeld in artikel 31 lid 2 Participatiewet en artikel 33 lid 5 Participatiewet niet tot het draagkrachtinkomen van belanghebbende gerekend. De componenten als bedoeld in genoemde artikelen worden dus ook voor de bijzondere bijstand niet tot de middelen gerekend. Dit geldt dus ook voor een particuliere oudedagsvoorziening wanneer de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt. Het inkomen wordt dus op dezelfde wijze vastgesteld als bij de algemene bijstand. Het inkomen wordt afgezet tegen de bijstandsnorm.

Er wordt geen rekening meer gehouden met het inkomen van minderjarige kinderen. Ook niet als er bijzondere bijstand wordt aangevraagd voor het minderjarige kind.

 

Peildatum draagkrachtinkomen

Uitgangspunt is in principe het periodieke inkomen van de maand van aanvraag. Moeten de kosten nog gemaakt worden, dan wordt uitgegaan van het periodieke inkomen van de belanghebbende(n) in de maand van aanvraag.

Bij wisselende inkomsten wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen gedurende het afgelopen half jaar. Het (periodieke) inkomen wordt omgerekend naar een netto jaarinkomen.

 

In aanmerking te nemen vermogen

Ieder vermogen boven de vermogensgrenzen als bedoeld in artikel 34, lid 3 wordt als draagkracht voorzien. De onderdelen als bedoeld in artikel 34, lid 2 Participatiewet worden bij de bepaling van het draagkrachtvermogen niet in aanmerking genomen. Het vermogen wordt dus op dezelfde wijze vastgesteld als bij de algemene bijstand.

 

 

Bijzondere situaties

Geen draagkracht bij WSNP

Bij een belanghebbende ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling op grond van de WSNP is uitgesproken, geldt dat het college alleen de draagkracht kan berekenen over middelen waarover belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft (zie CRvB 01-02-2005, nr. 02/93 NABW). De CRvB neemt hierbij als uitgangspunt dat dit slechts de middelen betreft die op de voet van artikel 295 lid 2 Fw buiten de boedel worden gelaten. Aangezien dit in de praktijk neerkomt op 90% van de bijstandsnorm, betekent dit dat er in het algemeen geen draagkracht zal  bestaan bij een belanghebbende ten aanzien van  wie een wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is.

 

Draagkracht en beslag

Als op (een deel van) het inkomen van belanghebbende executoriaal beslag is gelegd waardoor belanghebbende over dat (deel van het) inkomen geen feitelijke bestedingsmogelijkheid heeft, noch beschikkingsbevoegd is, noch een mogelijkheid heeft om het hem uit te laten betalen, mag het college bij de berekening van de draagkracht in het kader van de bijzondere bijstand met dat (deel van het) inkomen geen rekening houden, omdat belanghebbende niet redelijkerwijs kan beschikken over dat (deel van het) inkomen (zie CRvB 28-03-2006, nr. 04/5464 NABW).

 

De bestuursrechtelijke premieheffing Zorgverzekeringswet (Bronheffing) lijkt op beslag maar is anders van aard. De Bronheffing bestaat voor een deel uit vervangende premie voor de basisverzekering en voor een deel uit een boete. De Bronheffing is bedoeld als drukmiddel om tot een schuldregeling te komen bij de zorgverzekeraar voor een (oude) premieachterstand.

Zo’n regeling kan elk moment ingaan. Zodra er een regeling is getroffen en er een stabilisatieovereenkomst is afgesloten, meldt de Zorgverzekeraar de betrokkene af voor de Bronheffing. Als er naast Bronheffing beslag ligt heeft dat invloed op de hoogte van het beslag. Het kan voorkomen dat het beslag (nog) niet, of maar deels, kan worden geëffectueerd. Alleen geëffectueerd beslag verlaagt de draagkracht.

 

2.2 Draagkrachtpercentages

Ten aanzien van de draagkracht zijn er 2 onderdelen. Draagkracht in vermogen en draagkracht in inkomen.

 

2.2.1 Draagkrachtpercentage  vermogen

100% van het in aanmerking te nemen vermogen boven de van toepassing zijnde vermogensgrens.

 

2.2.2 Draagkrachtpercentage inkomen

0% van het in aanmerking te nemen inkomen, wanneer het inkomen (inclusief vakantietoeslag) lager is dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag).

40% van het in aanmerking te nemen inkomen (inclusief vakantietoeslag), dat meer bedraagt dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag).

100% van het in aanmerking te nemen inkomen, wanneer het inkomen inclusief vakantietoeslag hoger is dan 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag). Dit draagkrachtcriterium dient te worden toegepast voor bijzondere bijstand bedoeld voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten.

 

Bijzondere situaties

Voor een aantal kostensoorten wordt uitgegaan van 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (inclusief kostendelersnorm) en wordt ook de volledige draagkracht gebruikt.

Het gaat hier om kostensoorten die weliswaar worden verstrekt als bijzondere bijstand, maar die naar hun aard horen tot de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan of te maken hebben met het betalen van de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan.

Het gaat om de volgende kostensoorten:

aanschaf van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen;

budgetbeheer, WSNP bewindvoering, mentorschap. Voor de kosten voor mensen die onder curatele staan (geen faillissement) waarbij de door de rechtbank een curator is aangesteld voor de kosten van beschermingsbewind waarbij door de rechtbank een beschermingsbewindvoerder is aangesteld, worden de draagkrachtregels zoals geregeld in 2.2.2., onderdeel b toegepast.

woonkosten, die niet uit de norm kunnen worden betaald.

 

2.3 Draagkrachtperiode bijzondere bijstand

De periode waarover de draagkracht geldt, de draagkrachtperiode, is het kalenderjaar waarin de aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend. De draagkrachtperiode begint op 1 januari en loopt tot en met 31 december.

In afwijking hiervan wordt, wanneer een aanvraag wordt ingediend op of na 1 oktober, de draag- krachtperiode bepaald vanaf de maand waarin de aanvraag is ingediend tot en met december van het volgende kalenderjaar. Bij incidentele bijzondere bijstand wordt de draagkracht over de gehele draagkrachtperiode (12 tot 15 maanden) in aanmerking genomen en in één keer verrekend.

Bij periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht toegerekend naar een maand.

 

Achtergrondinformatie

Er is voor gekozen om bij aanvragen in het laatste kwartaal van het jaar de draagkracht te berekenen over een langere periode dan een jaar (maximaal 15 maanden). Dit heeft als doel om te voor- komen dat aanvragers binnen enkele maanden al hun gegevens meerdere malen moeten overleggen. LET OP: de draagkracht wordt in een dergelijk geval ook echt langer vaststelt dan 12 maanden. Bij voorbeeld bij een aanvraag in oktober is de draagkracht 15-maal de maanddraagkracht.

 

2.3.1 Aanvraag en draagkrachtperiode

 

Bijzondere bijstand per kalenderjaar

Bijzondere bijstand wordt per kalenderjaar toegekend, behalve wanneer de aanvraag wordt ingediend op of ná 1 oktober.

 

Toekenningsduur langer dan kalenderjaar

Voor een aantal kostensoorten geldt dat periodieke bijzondere bijstand voor langer dan 1 kalenderjaar kan worden toegekend. Dan geldt wel dat ieder kalenderjaar op uiterlijk 1 februari van telkens het volgende kalenderjaar moet worden onderzocht of de belanghebbende nog aan de voorwaarden voldoet. Hiervoor dient een standaard heronderzoeksformulier te worden gehanteerd.  

Deze regeling geldt voor de volgende kostensoorten:

Periodieke bijzondere bijstand voor reiskosten indien er sprake is van inburgering

Kosten beschermingsbewindvoering en curatorschap.

 

2.4 Drempelbedrag

In artikel 35, lid 2 Participatiewet kan de bijstand worden geweigerd indien de kosten een drempel niet overschrijdt. Er wordt geen drempelbedrag gehanteerd voor de bijzondere bijstand. Er wordt een administratieve drempel van € 100,00 gehanteerd voor de kosten van wettelijke eigen bijdrage. Deze

€ 100,00 als eigen bijdrage en voor de meerkosten komt men in aanmerking voor bijzondere bijstand.

 

2.5 Stappenplan berekening bijzondere bijstand

De berekening van de bijzondere bijstand verloopt als volgt:

Bepaal de hoogte van de voor bijzondere bijstandsverlening in aanmerking komende kosten;

Bepaal de draagkrachtperiode;

Bepaal het in aanmerking te nemen inkomen over de in stap 2 bepaalde draagkrachtperiode;

Bepaal het in aanmerking te nemen vermogen over de in stap 2 bepaalde draagkrachtperiode;

Bereken op grond van stap 3 en het (de) geldende draagkrachtpercentage(s) de draagkracht uit inkomen voor de draagkrachtperiode;

Bereken op grond van stap 4 en het (de) geldende draagkrachtpercentage(s) de draagkracht uit vermogen voor de draagkrachtperiode;

Bereken de totale draagkracht, te weten de som van stap 5 en 6;

Bereken het verschil tussen stap 1 en 7.

 

Als een negatief bedrag resteert, wordt deze rest in mindering gebracht op de voor bijstand in aanmerking komende kosten van de volgende aanvraag in dezelfde draagkrachtperiode, totdat een positief bedrag resteert.

Resteert er een positief bedrag, dan wordt dit uitgekeerd als bijzondere bijstand. Als de aard van de kosten daartoe aanleiding geeft wordt de bijstand gespreid over de draagkrachtperiode betaald (periodieke bijzondere bijstand).

De voor bijstand in aanmerking komende kosten van de volgende aanvraag in dezelfde draag- krachtperiode komen dan in hun geheel voor bijstandsverlening in aanmerking.

 

2.6 Vorm van de bijzondere bijstand

 

2.6.1 Verstrekking als geldlening of borgtocht

Wanneer iemand niet over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien kan bijstand worden verleend. Hieruit vloeit voort dat de bijstand in principe `om niet´ wordt verstrekt. Dit sluit niet uit dat in bepaalde gevallen de bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht wordt verstrekt of teruggevorderd wordt. Dit geldt zowel voor algemene als bijzondere bijstand.

In de wet is geregeld wanneer de bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, namelijk als:

redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoen- de middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien (artikel 48 lid 2 sub a Participatiewet).

Er zijn situaties waarin de belanghebbende feitelijk over voldoende middelen (inkomen dan wel vermogen) beschikt of gaat beschikken, terwijl hij het geld nog niet in handen heeft. Hierbij moet aandacht te zijn voor het volgende:

De aanspraak op deze middelen moet voldoende aannemelijk zijn. Staat die aanspraak voldoende vast dan kan de bijstand in de vorm van een geldlening worden verleend, als aan het tweede element wordt voldaan. Het tweede element is dat de middelen op korte termijn beschikbaar komen. De duur van de termijn is niet wettelijk vastgelegd. Uitgegaan wordt van een termijn van maximaal 12 maanden. Is de termijn langer, dan kan niet meer van een korte termijn worden gesproken.

Als aan een van de twee bovengenoemde elementen niet wordt voldaan, kan geen bijstand in de vorm van een geldlening worden verstrekt. Bijstandsverlening vindt dan volgens de hoofdregel in artikel 48 lid 1 Participatiewet om niet plaats.

Mocht er achteraf alsnog sprake zijn van middelen die betrekking hebben op de periode waarin bijstand is verleend dan kan de bijstand op grond van artikel 58 lid 2, onder f, sub 1 Participatiewet en het door de gemeente vastgestelde terugvorderingsbeleid worden teruggevorderd.

 

de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 48 lid 2 sub b Participatiewet).

 

Als de noodzaak tot bijstandsverlening is ontstaan door verwijtbaar handelen of nalaten van belanghebbende dan wordt de bijstand in de vorm van een geldlening verstrekt. Van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is over het algemeen sprake als de belanghebbende zichzelf door eigen toedoen in bijstandsbehoevende omstandigheden brengt. Hierbij kan gedacht worden aan het niet aanvragen van een voorliggende voorziening, terwijl de mogelijkheid daartoe inmiddels is verstreken.

In dat geval wordt eerst gekeken of het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de bestaanskosten, dat de verstrekking geheel of gedeeltelijk geweigerd dient te worden (afstemming op grond van artikel 18 Participatiewet), De bijstand die wordt vervolgens verleend in de vorm van een renteloze geldlening.

 

de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft (artikel 48 lid 2 sub c Participatiewet).

In verschillende situaties kan het voorkomen dat de belanghebbende een waarborgsom moet vol doen ter verkrijging van een bepaalde prestatie. Bijvoorbeeld bij het betrekken van nieuwe woonruimte moet de huurder soms een waarborgsom betalen. Over het algemeen, krijgt de huurder deze waarborgsom bij beëindiging van het huurcontract weer terug. De waarborgsom blijft in feite toebehoren aan de huurder maar hij kan er niet over beschikken. Er kan een noodzaak bestaan om voor deze kosten bijzondere bijstand te verlenen. Omdat de waarborgsom over het algemeen weer zal worden terugbetaald aan de belanghebbende wordt de bijstand verstrekt in de vorm van een lening.

 

het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft (artikel 48 lid 2 sub d en artikel 49 Participatiewet).

Op grond van artikel 13 lid 1 sub g Participatiewet kan er geen bijstand worden verleend als de belanghebbende bij het ontstaan van de schulden, of daarna, over voldoende middelen beschikte. Dit betekent dat alleen bijstand voor schulden kan worden verleend wanneer het ontstaan van de schulden het directe gevolg is van het ontvangen van een inkomen beneden bijstandsniveau.

Over het algemeen betreft dit situaties waarin het maken van schulden noodzakelijk was om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. In dat geval kan bij wijze van uitzondering bijstand verleend worden, doch wel in de vorm van borgtocht of een geldlening.

 

er wordt bijstand verleend voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen (artikel 51 Participatiewet).

Een duurzaam gebruiksgoed is een goed dat in principe meerdere jaren gebruikt kan worden (bijvoorbeeld een koelkast, meubels of vloerbedekking). De kosten van aanschaf en/of vervanging  van  duurzame  gebruiksgoederen  horen  in  principe  tot  de  (incidenteel)  voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten moeten dan ook worden voldaan uit het norminkomen en de aanwezige draagkracht, door reservering vooraf (sparen) dan wel door aflossing in termijnen achteraf (lenen). Als belanghebbende door bijzondere omstandigheden niet in de gelegenheid was om te reserveren en ook het aangaan van een lening bij een bank niet tot de mogelijkheden behoort, dan kan op grond van artikel 51 WWB bijstand voor deze kosten worden verleend in de vorm van een geldlening.

 

2.6.2 Looptijd lening: wanneer bijzondere bijstand in de vorm van een lening wordt verstrekt)

In principe is de aflossing vastgesteld op maximaal 3 jaar. Wanneer er na de aflossing van 36 maanden volledig betaalde maandelijkse aflossingsbedragen nog een restant bestaat, dan wordt het resterende gedeelte kwijtgescholden.

Kwijtschelding vindt niet plaats indien:

vooraf bekend is dat belanghebbende op korte termijn een aanzienlijk hoger bedrag kan aflossen of

als de belanghebbende in de eerste drie jaar twee keer achtereen nalatig is geweest met het aflossen van de maandelijkse termijnen.

 

De looptijd kan ook langer zijn dan 3 jaar. Dit is het geval wanneer de belanghebbende een tekort- schietend besef van verantwoordelijk voor de voorziening in het bestaan verweten kan worden met betrekking tot het ontstaan of voortduren van de situatie welke tot het verstrekken van bijstand in de vorm van een geldlening leidt. De looptijd wordt dan maximaal 5 jaar.

 

Meerdere geldleningen

Als er sprake is van meerdere geldleningen op hetzelfde moment, wordt gestart met de aflossing van de geldlening waarin het hoogste bedrag aan bijzondere bijstand is toegekend. Aansluitend aan de aflossing van eerstgenoemde geldlening wordt de volgende geldlening afgelost.

 

2.6.3 Hoogte aflossing leenbijstand

Voor de hoogte van de aflossing wordt aansluiting gezocht bij de normen zoals vastgesteld door de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK). Dit betekent dat de hoogte van de aflossing van de geldlening 6% bedraagt van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag.

 

Bij een inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt de aflossing verhoogd met 50% van deze meerinkomsten.

 

2.7 Wijziging draagkracht tijdens draagkrachtperiode

In het belang van de rechtszekerheid en de uitvoeringspraktijk geldt als uitgangspunt dat de draagkracht binnen de vastgestelde draagkrachtperiode in principe voor die periode definitief is. Met andere woorden: een eenmaal vastgestelde draagkracht wordt in principe niet meer aangepast.

 

3 Categoriale bijzondere bijstand

 

 

Het college kan naast individuele bijzondere bijstand ook categoriale bijzondere bijstand verlenen voor bijzondere kosten. In dit kader zijn beleidsregels van toepassing voor chronisch zieken en gehandicapten. Daarnaast is nog categoriale bijstand mogelijk met betrekking tot kosten in verband met maatschappelijke participatie van schoolgaande kinderen. Dit is geregeld in de beleidsregels activiteitenbijdrage.

 

4 Medische kosten: algemeen

 

4.1 Standaard aanvullende of collectieve ziektekostenverzekering

De gemeente Oldebroek heeft voor haar inwoners die een laag inkomen hebben een collectieve verzekering afgesloten bij Zorgverzekeraar Menzis. Dit betekent dat iedereen die voldoet aan bepaalde voorwaarden deze verzekering kan afsluiten en daarmee in aanmerking komt voor een korting op de totale premie. De collectieve verzekering is niet verplicht. Hiervoor zijn de vermogensgrenzen als bedoeld in artikel 34 Participatiewet van toepassing.

 

Wie komen ervoor in aanmerking?

belanghebbenden die een uitkering ontvangen op grond van de WWB, WIJ, IOAW(Z);

belanghebbenden die in aanmerking komen voor een bijdrage op grond van het gemeentelijk minimabeleid;

belanghebbenden met een (ander) inkomen van ten hoogste 120% van de op belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm en geen vermogen hoger dan de wettelijke grens;

belanghebbenden die een schuldtraject via de gemeente Zwolle of een WSNP-traject doorlopen.

 

4.2 Eigen risico

Verplicht eigen risico

In de Zorgverzekeringswet (Zvw) is een verplicht eigen risico van opgenomen. Gezien het feit dat er sprake is van een algemene maatregel, die geldt voor alle verzekerden, kan hiervoor geen bijzondere bijstand worden verstrekt.

 

Vrijwillig eigen risico

Het is ook mogelijk een vrijwillig eigen risico af te sluiten. Hierdoor wordt er een lagere premie betaald. Voor dit risico kan ook geen bijzondere bijstand worden verstrekt. Het risico wat de belanghebbende neemt kan niet worden afgewenteld op de gemeente.

 

4.3 Waar en wanneer medisch advies aanvragen

 

Adresgegevens

Van Brederode,

Nieuwkerksedijk 21a, 5051 HS Goirle

Telefoon     013-530 00 13

Fax     013-530 00 14

E-Mail     info@vanbrederode.eu

Medisch advies wordt aangevraagd, daar waar aangegeven in de richtlijnen voor bijzondere bijstand.

Daarnaast geeft Van Brederode sociaal medische indicatieadviezen aan gemeenten in het kader van de Participatie en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015).

 

5 Medische kosten: specifiek

 

5.1 Overig beleid inzake specifieke medische kosten

 

Voorliggende voorziening

 De Zorgverzekeringswet (ZVW) (met het Besluit Zorgverzekering en de Regeling Zorgverzekering) is een passende en toereikende voorliggende voorzieningen voor medische behandelingen, medicijnen en hulpmiddelen. Jaarlijks wordt door de minister van Volksgezondheid vastgesteld welke zorg noodzakelijk is, welke medicijnen voorgeschreven kunnen worden en welke hulpmiddelen tot de noodzakelijke zorg horen. In het geval op grond van dit hoofdstuk bijstand wordt verleend, dient de aanvrager te beschikken over een aanvullende verzekering, voor zover op grond van de aanvullende verzekering een vergoeding of een hogere vergoeding voor de te verstrekken voorziening wordt verleend.

 

Al deze noodzakelijke zorg wordt opgenomen in de basisverzekering. De Zorgverzekeraars die de Zorgverzekeringswet uitvoeren hebben hier geen eigen beleidsvrijheid in. Als noodzakelijke zorg geweigerd wordt, staat de mogelijkheid van bezwaar en beroep open.

Op grond van art. 15 eerste lid Participatiewet bestaat er geen recht op bijstand voor kosten die onder de werking van deze en de hieronder beschreven voorliggende voorzieningen vallen.

Naast de basisverzekering zijn er aanvullende verzekeringen. Een aanvullende verzekering is geen wettelijke voorliggende voorziening, maar een particuliere verzekering voor kosten waarin mensen zelf horen te voorzien. Het wordt wel verwacht van mensen dat ze zich aanvullend verzekeren.

Het beleid ten aanzien van de volksgezondheid wijzigt regelmatig. De stelregel is dat alleen kosten die in de basisverzekering zijn opgenomen noodzakelijk zijn. Kosten die buiten de basisverzekering gelaten worden zijn uit het oogpunt van de volksgezondheid niet noodzakelijk.

 

Passend en toereikend

Al deze regelingen samen vormen een passend en toereikend systeem voor de noodzakelijke gezondheidszorg. Bijstandverlening voor medische kosten zal dan ook maar zelden nodig zijn omdat de kosten die buiten deze regelingen zijn gelaten niet noodzakelijk worden geacht.

De kosten van alternatieve geneeswijzen zijn doelbewust niet in de basisverzekering zijn opgenomen en dienen ze als niet noodzakelijke kosten te worden beschouwd. Er dient dan ook geen bijzondere bijstand voor alternatieve of antroposofische geneeswijzen verstrekt te worden. De reguliere gezondheidszorg waarborgt de gezondheid in voldoende mate.

 

5.2        Medisch advies

Advisering en indicering door een deskundige kan nodig zijn wanneer de klant te maken krijgt met extra kosten van medische, medisch-sociale of psychosociale aard die buiten de werking van een voorliggende voorziening vallen.

Voor kosten die op grond van artikel 14 en of 15 Participatiewet niet in aanmerking komen voor bijstandverlening (bijv. medicijnen en alternatieve geneeswijzen) wordt geen advies gevraagd.

Kosten van deelname aan oefenprogramma’s of sporten zoals fitness of zwemmen zijn geen bijzondere kosten, maar algemene kosten. Als er een medische noodzaak is voor (extra) beweeg- en/of oefenprogramma’s dient dat binnen de kaders van de Zorgverzekeringswet te gebeuren. Andere zorg is niet noodzakelijk omdat die doelbewust buiten het verstrekkingenpakket is gelaten.

 

Bijzondere bijstand medische kosten

Het college kan van bepaalde medische kosten - onder omstandigheden - de noodzaak of de bijzondere omstandigheid om andere dan medische reden aanwezig achten. Hierbij moet dan vooral aandacht worden besteed aan de voorwaarden waaronder de noodzaak van genoemde kosten aanwezig is.

In deze richtlijn wordt afwijkend en/of aanvullende beleid met betrekking tot specifieke medische kostensoorten aangegeven:

Alternatieve geneeswijzen;

Hoortoestel;

Dieetkosten;

Orthopedisch schoeisel;

Pruik;

Ziekenvervoer;

Brillen en contactlenzen

Dieetkosten

Zelfzorgmiddelen bij chronische aandoening

Tandheelkundige hulp

Was- en kledingslijtage

Bevalling- en kraamkosten

Psychotherapie

 

Indien de toepassing van dit hoofdstuk leidt tot onbillijkheden van overwegende aard of dat er anderszins sprake is van dringende redenen, kan bijzondere bijstand worden verleend. Dit betekent dat in dit opzicht de bovenstaande lijst niet limitatief is. Bijzondere bijstand kan dan worden verleend met inachtneming van de regels met betrekking tot de wettelijke (inkomensafhankelijke) eigen bijdrage en de draagkrachtregels.

 

5.2.1 Alternatieve geneeswijzen en therapieën

Voor deze kosten is geen bijzondere bijstand mogelijk. De keuze om deze kosten buiten de AWBZ en de Zvw te laten is om principiële redenen gedaan.

 

5.2.2 Hoortoestel

De zorgverzekering is toereikend om een digitaal hoortoestel aan te kunnen schaffen, volgens de goedkoopst mogelijke adequate voorziening. Bijzondere bijstand is daarom niet aan de orde.

 

Uitzondering

Het is echter mogelijk dat een KNO-arts dringend een duurder toestel voorschrijft, waarvan de prijs hoger is dan de bijdrage die van de zorgverzekering wordt ontvangen. Alleen dan is er reden bijzondere bijstand te verstrekken voor de meerkosten.

 

5.2.3 Orthopedisch schoeisel/Pruik

Orthopedisch schoeisel

Voor orthopedisch schoeisel geldt een wettelijke eigen bijdrage. Voor de eigen bijdrage kan bijzondere bijstand worden verstrekt.

 

Hoogte van de bijzondere bijstand

Vergoeding van de wettelijke eigen bijdrage van € 136,50 per paar voor verzekerden van 16 jaar en ouder en € 68,50 voor verzekerden jonger dan 16 jaar. Hierop wordt het normbedrag NIBUD voor normale schoenen in mindering gebracht.

 

Bewijsstukken

Vergoedingenoverzicht zorgverzekeraar,

of als de leverancier de vergoeding al heeft verrekend met de zorgverzekeraar: de nota waaruit de eigen bijdrage blijkt.

 

Pruik

Er is vergoeding via de basisverzekering. Is de pruik duurder dan is het meerdere te betalen bedrag de eigen bijdrage. De meeste aanvullende verzekeringen geven recht op een aanvullend bedrag, dat hoger is naarmate men beter is verzekerd. Het is de verantwoordelijkheid van een belanghebbende om zich voor deze kosten aanvullend te verzekeren. Bijzondere bijstand is hierdoor niet mogelijk.

5.2.4 Ziekenvervoer

Voor ziekenvervoer geldt een wettelijke eigen bijdrage. Voor de eigen bijdrage kan bijzondere bijstand worden verstrekt.

 

Hoogte bijzondere bijstand

Vergoeding van de wettelijke eigen bijdrage.

 

Bewijsstukken

Vergoedingenoverzicht  zorgverzekeraar.

 

5.3 Brillen en contactlenzen

Uitgangspunt is dat de (aanvullende) zorgverzekering voor de kosten van brillenglazen aan te merken is als een voorliggende, toereikende en passende voorziening. Er is door de wetgever een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten van brillenglazen, zodat (aanvullende) bijzondere bijstandsverlening niet aan de orde is. Het is de verantwoordelijkheid van een belanghebbende om zich voor deze kosten aanvullend te verzekeren.

 

Uitzondering

Vanuit de zorgverzekering is een vergoeding mogelijk, eenmaal per 3 kalenderjaren. Er zijn situaties mogelijk waarbij glazen, dan wel montuur eerder moeten worden vervangen. Dit is aan de orde als de sterkte van de glazen moet worden aangepast. Of als het montuur te klein is geworden in het geval van opgroeiende kinderen. Hoogte van de bijzondere bijstand is dan maximaal ter hoogte van de vergoeding vanuit de aanvullende verzekering (één na hoogste pakket).

 

5.4 Dieetkosten

Er zijn twee categorieën dieetkosten:

Dieetproducten. Voedingsmiddelen die moeten worden aangeschaft voor een dieet;

Dieetpreparaten. Dieetpreparaten vallen onder de ZVW of AWBZ-regeling voor farmaceutische hulp.

 

Voor dieetkosten bestaan twee vergoedingsmogelijkheden. De bijzondere bijstand en de teruggave Specifieke zorgkosten van de belastingdienst.

Men kan maar van een van de twee gebruik maken. Voor mensen met een laag inkomen is bijzondere bijstand de meest aangewezen manier om te vergoeden. Voor mensen met een hoger inkomen kan dat belastingteruggave zijn.

 

Wijs mensen erop dat ze met een indicatie van de huisarts van de Belastingdienst geld terug kunnen vragen voor de 45 meest voorkomende diëten. Belasting terugvragen is niet verplicht. Maar door de dieetkosten als specifieke zorgkosten op te voeren kan de drempel die voor teruggave geldt zodanig overschreden worden dat ook andere kosten, waar geen bijzondere bijstand voor wordt verstrekt, voor aftrek in aanmerking komen. Die overweging dient de klant zelf te maken.

 

Voor een aanvraag om bijzondere bijstand is een medisch advies nodig.

Bij de beoordeling of er aanvullende bijzondere bijstand mogelijk is wordt rekening gehouden met vergoedingen uit andere bron.

 

5.5 Zelfzorgmiddelen bij een chronische aandoening

Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor de zelfzorgmiddelen bij een chronische aandoening. Deze middelen worden voor chronisch gebruikers vergoed door de zorgverzekering. Voor overige gebruikers worden deze middelen niet vergoed, omdat deze voor hen niet noodzakelijke worden geacht.

 

5.6 Tandheelkundige hulp

 

5.6.1 Tandartskosten

Bijzondere bijstand voor tandartskosten is in de regel niet mogelijk. Een klant moet zich afdoende verzekeren voor tandartskosten. In de basisverzekering is een aantal voorzieningen opgenomen. Uitgebreidere voorzieningen zitten in aanvullende (tandarts)verzekeringen.

 

Basisverzekering

Noodzakelijke tandheelkundige behandelingen zijn geregeld in de Zorgverzekeringswet en het Besluit Zorgverzekering (art. 2.7) . De voorzieningen voor jongeren en volwassenen zijn in beginsel passend en toereikend om een goede mondgezondheid te behouden.

 

De voorzieningen voor jongeren tot 18 jaar zijn uitgebreider dan voor volwassenen. Volwassenen zijn zelf verantwoordelijk voor de staat van hun gebit. Saneringskosten horen dus tot de eigen verantwoordelijkheid

 

De verstrekkingen van de basisverzekering voor volwassenen zijn beperkt tot:

chirurgische tandheelkundige hulp (uitgezonderd paradontale chirurgie en het aanbrengen van tandheelkundige implantaten);

röntgenonderzoek door kaakchirurg;

gewone volledige onder- en/of bovenprotheses (hiervoor geldt een eigen bijdrage).

 

Niet, of onder voorwaarden, zijn in de basisverzekering opgenomen:

verwijderen van tandsteen;

tandheelkundige hulp en voorzieningen, zoals kronen en bruggen, frame protheses en orthodontie voor volwassenen. Kronen en bruggen worden alleen uit de basisverzekering vergoed na een strenge medische beoordeling van de noodzaak. Dit gebeurt door de behandelend tandarts in overleg met de zorgverzekeraar. Voor kronen, bruggen en frameprotheses wordt geen bijzondere bijstand verstrekt omdat de basisverzekering daarvoor een passende en toereikende voorziening heeft, namelijk een prothese.

 

Cosmetische overwegingen zijn geen reden om bijstand te verlenen. Als de kosten van een behandeling niet worden vergoed uit de basisverzekering, zijn het niet-noodzakelijke kosten. Een adviesaanvraag aan de GGD sturen voor tandartskosten is niet aan de orde.

 

Een vergoeding voor tandartskosten zal zelden nodig zijn. Alleen als er sprake is van zeer dringende redenen kan er bijstand worden verleend. De bijstand dient dan aan te sluiten bij de vergoedingen die de basisverzekering zou geven. In de praktijk is een (gedeeltelijke) prothese dan de aangewezen voorziening. Verwaarlozing van het gebit en onverzekerdheid zijn niet aan te merken als bijzondere omstandigheden, maar als onvoldoende besef van verantwoordelijkheid.

Voor orthodontie bij kinderen is een eigen bijdrage verschuldigd. In de meeste gevallen zal de dekking van de collectieve verzekering die kosten dekken.

 

Het college verstrekt bijzondere bijstand tot een bedrag van maximaal € 150,00 per persoon per jaar. Voor het recht op bijzondere bijstand moet iemand wel aanvullend verzekerd zijn voor tandheelkundige kosten. Iemand die niet aan deze voorwaarde voldoet heeft geen recht op bijzondere bijstand voor tandheelkundige hulp.

 

Hoogte bijzondere bijstand

Maximaal € 150,00 per persoon per jaar.

 

Bewijsstukken

Vergoedingenoverzicht  zorgverzekeraar;

Bewijs van aanvullende tandartsverzekering;

(Pro forma) nota van de kosten.

 

5.6.2 Orthodontie tot 18 jaar

Het college verstrekt bijzondere bijstand, eenmalig tot een bedrag van € 200,00 per persoon. Voor het recht op bijzondere bijstand moet iemand wel aanvullend verzekerd zijn. Iemand die niet aan deze voorwaarde voldoet heeft geen recht op bijzondere bijstand.

 

Hoogte bijzondere bijstand

Eenmalig maximaal € 200,00 per persoon.

 

Bewijsstukken

Vergoedingenoverzicht  zorgverzekeraar;

Bewijs van aanvullende zorgverzekering;

(Pro forma) nota van de kosten.

 

5.6.3 Kunstgebit (prothese)

Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de wettelijke eigen bijdrage van 25%.

 

Hoogte bijzondere bijstand

Wettelijke eigen bijdrage van 25%. De hoogte van de wettelijke eigen bijdrage moet dan wel de ondergrens van € overschrijden.

 

Bewijsstukken

Vergoedingenoverzicht  zorgverzekeraar;

Bewijs van aanvullende zorgverzekering;

(Pro forma) nota van de kosten.

 

5.7 Was-  en kledingslijtage

Voorliggende voorziening

Voor de kosten van bewassing en ten gevolge van slijtage zijn er geen voorliggende voorzieningen. Ter voorkoming van extra bewassing bestaat er op grond van de Regeling zorgverzekering wel recht op incontinentie-absorptiemiddelen.

 

Recht op bijzondere bijstand

Tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan horen ook kosten van bewassing en door slijtage. Aangezien de algemene bijstand, dan wel een inkomen op bijstandsniveau voorziet in deze kosten kan er in principe geen bijstand worden verleend voor deze kosten. Alleen als er sprake is van bijzondere omstandigheden kan er aanleiding zijn bijzondere bijstand te verlenen voor deze kosten. Hiervan is in ieder geval sprake als door lichamelijke gebreken of het extra wassen door het noodzakelijk gebruik leidt tot meer dan normale slijtage.

Voor bewoners van verzorgingshuizen geldt dat alle waskosten zijn begrepen in de verzorgingsprijs.

 

Een ziekte of handicap kan leiden tot hogere uitgaven voor wassen of vervangen van kleding en beddengoed dan gebruikelijk is. Dat kan worden veroorzaakt door bijvoorbeeld ongewoon vochtverlies of slijtage door protheses. Ook kan iemand in een relatief korte periode zo sterk afvallen of aankomen, dat een nieuwe garderobe nodig is.

 

Advisering

Vraag bij een ziekte of gebrek altijd eerst medisch advies:

is er een medische oorzaak voor een meer dan normale kledingslijtage, gewichtsaf- of toename?

is er een medische reden voor extra waskosten?

 

Als de kosten een jaar of langer voorkomen is de Regeling meerkosten chronisch zieken en gehandicapten de geëigende vergoedingsregeling .

 

Vergoeding

Voor extra kosten als gevolg van plotselinge gewichtsafname of -toename is bijzondere bijstand mogelijk als het gaat om minimaal 2 maten groter of kleiner in een zeer korte tijd.

Aanschaf of vervanging van kleding op niet-medische gronden (bijvoorbeeld na ontslag uit detentie) komt niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Uitzonderingen op grond van zeer bijzondere omstandigheden zijn denkbaar.

 

5.8 Bevallings- en kraamkosten

Kosten van bevalling en kraamverzorging kunnen uiteenlopen. Dat is afhankelijk van de situatie van moeder en kind. Welke zorg noodzakelijk is, moet je per geval beoordelen. Hieronder staan enkele algemene richtlijnen. In veel gevallen vergoedt een aanvullende verzekering het merendeel van de kosten.

 

Kosten van bevalling

De kosten van een bevalling hangen af van de plaats: thuis of in het ziekenhuis. Een ziekenhuisbevalling is duurder. De zorgverzekering vergoedt een ziekenhuisbevalling alleen volledig bij een medische indicatie.

In aanvullende verzekeringen is meestal een dekking opgenomen voor deze kosten.

Als een vrouw zonder medische indicatie toch in een ziekenhuis wil bevallen, verstrek je geen bijzondere bijstand, tenzij sprake is van een sociale indicatie.

 

Voorbeelden daarvan:

de staat van de woning laat thuis bevallen niet toe;

de vrouw verblijft in een opvanghuis met onvoldoende faciliteiten;

er zijn redenen van psychosociale aard.

 

Indicatiestelling

De consulent stelt zelf de noodzaak vast als de bevalling nog moet plaatsvinden zonder medische indicatie. Er wordt beoordeeld op grond van:

de informatie van klant;

de visie van de vroedvrouw, de huisarts en/of andere behandelaars op de woon- en gezinssituatie;

de psychische toestand van de vrouw of eventuele andere bijzondere omstandigheden.

 

Bij een aanvraag achteraf stelt het ziekenhuis de medische noodzaak vast. Beoordeel ook of er sprake was van een sociale indicatie.

Vergoeding

Bij een positief oordeel wordt er tot toekenning overgegaan van de kosten die niet door een (aanvullende) verzekering worden gedekt.

De definitieve vaststelling van de kosten is pas achteraf mogelijk. Er kunnen voor, tijdens of na de bevalling complicaties optreden, waardoor alsnog een medische indicatie ontstaat. De zorgverzekeraar zal dan alsnog tot vergoeding overgaan. Uitbetaling (bij voorkeur aan het ziekenhuis) volgt om die reden pas na het overleggen van de definitieve nota.

 

5.9        Psychotherapie

 

5.9.1 Psychotherapie

Psychotherapie (de zogenaamde tweedelijns GGZ) wordt volledig vergoed  via de basisverzekering van de Zorgverzekeringswet. Voor deze kosten wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.

 

5.9.2 Psychologische zorg

Vanuit de basisverzekering worden 8 zittingen per persoon per jaar vergoed. Er is een eigen bijdrage van € 10,00 per zitting. Voor de eigen bijdrage kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Pas als het totaal van de eigen bijdrage (eventueel in combinatie van andere wettelijke eigen bijdrage) de ondergrens van € 100,00 overschrijdt is bijzondere bijstand mogelijk. Als een belanghebbende gebruik moet maken van meer zittingen, dan is het zijn eigen verantwoordelijkheid om zich hiervoor aanvullend te verzekeren. Voor deze kosten wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.

 

5.10 Fysiotherapie en oefentherapie

Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor fysiotherapie en oefentherapie. Op grond van de basisverzekering wordt fysiotherapie voor chronische aandoeningen vergoed. Er bestaat recht op vergoeding van medisch noodzakelijke fysiotherapie en oefentherapie. Onder fysiotherapie wordt tevens verstaan bekkenfysiotherapie, geriatrie fysiotherapie, kinderfysiotherapie, lymfedrainage/oedeemtherapie, littekentherapie, manuele therapie en psychosomatische therapie.

 

 

6 Begrafenis en crematie

 

6.1 Uitvaartkosten (B075)

De nabestaanden van de overledene zijn verantwoordelijk voor de uitvaart en dragen de kosten daarvan. Elk van de nabestaanden voor een gelijk deel. Nabestaanden zijn de erfgenamen volgens het Burgerlijk recht, of zoals genoemd in het testament, mits zij hun erfdeel niet verworpen hebben. Zijn er geen nabestaanden die de uitvaart regelen, dan wordt op grond van de Wet op de Lijkbezorging (WOL) de begrafenis geregeld en bekostigd.

 

Als er geen sprake is van een (dekkende) begrafenisverzekering en de overledene laat onvoldoende middelen na om een begrafenis of crematie van te betalen, moeten de erfgenamen en bloed- en aanverwanten deze kosten betalen. Wanneer deze onvoldoende middelen en/of vermogen heeft om zijn evenredig aandeel in de begrafenis- of crematiekosten te betalen, dan kan hiervoor bijzondere bijstand worden aangevraagd bij de gemeente Oldebroek (voor zover de nabestaande in de gemeente woonachtig is), of in hun woonplaats.

Voor de kosten van een begrafenis of crematie in het buitenland wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.

 

Recht op bijzondere bijstand

Bijzondere bijstand voor uitvaartkosten kan verleend worden aan erfgenamen en bloed- en aanverwanten die krachtens de artikelen 392-396 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot onder- houd van de overledene verplicht zouden zijn geweest, voor zover:

er geen (dekkende) begrafenisverzekering is;

de uitvaartkosten niet uit de nalatenschap voldaan kunnen worden, en;

de erfgenaam of bloed-/aanverwante niet over toereikende middelen beschikt om (zijn aandeel in) de uitvaartkosten te voldoen.

 

Hoogte bijzondere bijstand

Het bedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt, wordt vastgesteld aan de hand van het NIBUD.

 

Bewijsstukken

akte van overlijden;

gegevens van de executeur;

polis van de begrafenisverzekering;

testament;

rekening van de begrafenisondernemer;

bankrekeningen e.d. die de nalatenschap vormen.

 

7 Juridische kosten: Bewindvoering, curatele, rechtsbijstand en leges.

 

7.1 Kosten bewindvoering

 

7.1.1 Bewindvoering WSNP

Naar aanleiding van uitspraken van de CRvB is er in principe geen aanleiding om bijzondere bijstand te verlenen voor de kosten van het salaris van de WSNP bewindvoerder, voor zover dat niet uit de boedel betaald kan worden.

 

Als een belanghebbende in een schuldsaneringstraject wordt geplaatst onder de WSNP is hij salaris voor de bewindvoerder verschuldigd. Dit salaris moet met voorrang worden betaald uit de boedel. De boedel bestaat uit het voor beslag vatbare gedeelte van het inkomen en vermogen van belanghebbende. Voor zover het salaris uit de boedel kan worden betaald is in deze kosten voor- zien en is er om die reden in principe geen aanleiding om bijzondere bijstand te verlenen voor deze kosten.

Het kan voorkomen dat de rechtbank het salaris van de bewindvoerder hoger heeft vastgesteld dan het bedrag dat uit de boedel kan worden betaald. In dat geval mag de bewindvoerder het gedeelte van zijn salaris dat niet uit de boedel kan worden betaald niet bij belanghebbende in rekening brengen.

 

7.1.2 Beschermingsbewind

Als de rechter heeft vastgesteld dat iemand niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, kan de rechter die persoon onder bewind stellen en een bewindvoerder toewijzen. In zwaardere gevallen van een persoon onder curatele worden gesteld en heeft de rechter een curator toegewezen. Als de aan bewindvoering/curatorschap verbonden kosten niet uit de aanwezige draagkracht kunnen worden betaald, worden die kosten in principe aangemerkt als noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden waarvoor bijzondere bijstand kan worden verstrekt. De hoogte van de bijstand is dan gelijk aan de normen en tarieven zoals bedoeld in de Regeling van 4 november 2014, inhoudende de invoering van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. De Staatssecretaris  (Veiligheid en Justitie) heeft eenduidige regels vastgesteld voor de beloning van curatoren, bewindvoerders en mentoren. Daarmee komt een eind aan de huidige praktijk waarbij kantonrechters de beloning vaststellen op grond van de aanbevelingen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK). Dit blijkt uit de toelichting op de ministeriële regeling die in de Staatscourant is gepubliceerd en op 1 januari 2015 is ingegaan.

 

 Bewijsstukken

Beschikking kantonrechter;

Nota bewindvoerder.

 

Financieel beheer kent meerdere vormen. Van licht tot zwaar zijn dat:

Budgetbeheer

Vrijwillige bewindvoering (beschermingsbewind)

Curatele

Soms gaan ze samen met mentorschap of WSNP- bewind.

In deze paragraaf staat beschreven bij welke vormen van financieel beheer je wel of geen bijzondere bijstand kunt verstrekken. Dit verschilt per vorm.

 

Budgetbeheer

Het is niet mogelijk bijzondere bijstand voor budgetbeheer te verstrekken.

Klanten met een inkomen hoger dan 120% van het wettelijk minimum loon (WML) kunnen de kosten van budgetbeheer zelf dragen. Voor mensen met een inkomen onder 120% WML is budgetbeheer gratis door Zwolle, indien daarvoor geïndiceerd.

 

WSNP-bewindvoering

Voor WSNP- bewindvoerdersloon wordt geen bijzondere bijstand verstrekt. Dat loon hoort uit de boedel betaald te worden. De boedel bestaat uit de totale afloscapaciteit van de saniet.

Vanaf oktober 2013 kunnen WSNP bewindvoerders een beroep doen op een aanvullende subsidie bij de Raad voor de Rechtsbijstand.

 

Beschermingsbewindvoering en Mentorschap

Bij beschermingsbewind en mentorschap heeft de kantonrechter het bewind of mentorschap vastgesteld. De bewindvoerder/mentor heeft recht op loon en kan dit in rekening brengen bij de onder bewind of mentorschap gestelde. Als de onder bewind gestelde een inkomen op

bijstandsniveau heeft kan er bijzondere bijstand verstrekt worden voor het loon en de eenmalige extra kosten. Dat gebeurt per draagkrachtjaar. Als de onder bewind gestelde een hoger inkomen heeft kan alle inkomen boven de bijstandsnorm aan de kosten besteed te worden. Hiervoor gelden dus afwijkende draagkrachtregels. Hiervoor kan bijzondere bijstand worden verleend. Indien het inkomen hoger is dan 120% van de relevante bijstandsnorm, wordt 40% van het meerdere als draagkracht gehanteerd.

 

Curatorschap

Curatele wordt ook door de rechtbank uitgesproken. Curators zijn eigenlijk tegelijk bewindvoerder en mentor. De vergoeding voor curatoren komt daarom overeen met de gecombineerde vergoeding voor bewindvoerders die ook mentor zijn. Hiervoor kan bijzondere bijstand worden verleend. Indien het inkomen hoger is dan 120% van de relevante bijstandsnorm, wordt 40% van het meerdere als draagkracht gehanteerd.

 

Tarieventabel

Er gelden verschillende tarieven voor familiale bewindvoerders en curatoren en professionele bewindvoerders, curatoren en mentoren. Er zijn aparte tarieven voor de vaste, eenmalige extra werkzaamheden en schuldsituaties. Die tarieven zijn gepubliceerd in de Staatscourant. De verschuldigde Btw kan worden vergoed.

 

Aanvragen bewindvoeringskosten met terugwerkende kracht

Aanvragen dienen tijdig te worden ingediend. Dat is het uitgangspunt. Omdat de bewindvoerder of curator pas na de uitspraak van de rechter kennis kan nemen van de hoogte van het inkomen van de onder bewind gestelde en dit in de praktijk pas echt kan na een inventarisatie en beoordeling van de financiële gegevens, is het redelijk dat deze aanvragen met enige terugwerkende kracht gedaan kunnen worden. De uiterste termijn daarvoor loopt af drie maanden na de datum waarop de uitspraak gedaan is. Voor aanvragen die later dan drie maanden na de uitspraak gedaan worden is de ingangsdatum de eerste van de maand van aanvraag.

 

7.2 Kosten rechtsbijstand

Kosten van rechtsbijstand zijn alle kosten bij het voeren van een procedure, die voor rekening van de klant komen:

griffierecht;

eigen bijdrage rechtshulp;

andere proceskosten, bijvoorbeeld reiskosten, kosten dagvaarding, en kosten van getuigen of deskundigen.

 

Voor deze kosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt met inachtneming van wat hieronder en verderop in dit hoofdstuk staat beschreven. De hoofdregel is dat kosten pas voor vergoeding in aanmerking komen na een positief advies van het Juridisch Loket over nut of noodzaak van een te voeren procedure.

 

Kosten van contra-expertise zijn in het algemeen niet noodzakelijk. Mocht het tot een beroepszaak komen dan kan de rechter contra-expertise vorderen. De kosten worden dan door justitie gedragen.

 

Eigen bijdrage rechtshulp

Het beleid van het Ministerie van Justitie is erop gericht om nodeloze procedures te voorkomen. Om dit te bereiken wordt het gebruik van het Juridisch Loket bevorderd en een financiële prikkel in het systeem van gesubsidieerde rechtshulp ingebouwd. De hulp van het Juridisch Loket is gratis. Hulp wordt via internet (online chat of via e-mail), via de telefoon of tijdens een persoonlijke afspraak geboden. Om het gemeentelijk beleid aan te laten sluiten op het beleid en de doelstellingen van het Ministerie van Justitie gelden de volgende regels.

 

Algemeen

Bijzondere bijstand hoort vooraf aangevraagd te worden. Dat geldt dus ook voor de kosten van rechtsbijstand. Vooraf betekent uiterlijk op de dag dat de toevoeging wordt aangevraagd. Voor kosten van griffierecht is dat uiterlijk de dag dat het verzoek- of beroepsschrift wordt ingediend.

 

Rechtshulp met toets Juridisch Loket

Het Juridisch Loket geeft eenvoudige juridische hulp en adviseert over het nut en de noodzaak van verdere procedures. Daarmee fungeert het Juridisch Loket als filter. Vanaf 1 juli 2011 legt het Juridisch Loket de afspraken vast in een “diagnosedocument”. Het diagnosedocument speelt een belangrijke rol om vast te stellen of de kosten noodzakelijk zijn. Als de diagnose is dat een verdere procedure noodzakelijk is wordt de verschuldigde wettelijke eigen bijdrage verlaagd. De overblijvende kosten kunnen als bijzonder en noodzakelijk worden beschouwd voor zover ze de ondergrens wettelijke eigen bijdrages overschrijden. Bijstand is dan mogelijk voor het overblijvende deel. Wanneer het Juridisch Loket een diagnosedocument heeft opgesteld en de Raad een toevoeging verleent, krijgt de belanghebbende een korting van € 53,- (prijspeil 2015) op deze eigen bijdrage.

 

Rechtshulp zonder toets Juridisch Loket

Voor rechtshulp die zonder toets door het Juridisch loket tot stand komt blijft de wettelijke eigen bijdrage van tenminste 196,- euro verschuldigd. De kosten van eigen bijdrages voor rechtshulp die buiten het Juridisch Loket om, of in afwijking van het diagnosedocument is ingeroepen, kunnen niet als bijzonder en noodzakelijk worden aangemerkt. Deze (hogere) kosten zijn vrijwillig aangegaan en komen niet voor bijstandsverlening in aanmerking.

 

Maar als er (buiten het Juridisch Loket om) door de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) een toevoeging is afgegeven, dan staan het nut en de noodzaak van de procedure ook vast. De aanvrager krijgt dan niet de korting van € 53,00 op de eigen bijdrage. Er kan dan tot maximaal het bedrag dat geldt voor hulp via het Juridisch Loket bijstand worden verleend voor de eigen bijdrage met inachtneming van de ondergrens eigen bijdrages.

 

Voor een zogenaamde Lichte Advies Toevoeging (LAT) die is afgeven door de RvR gelden lagere tarieven. Die komen voor vergoeding in aanmerking voor zover ze de € 53,00 te boven gaan. Ook hier dient de ondergrens eigen bijdrages toegepast te worden als dat in het draagkrachtjaar nog niet gebeurd is.

Een bijstandsaanvraag dient te worden ondersteund door hetzij een diagnose document van net Juridisch Loket, hetzij een bewijs van een door de RvR afgegeven toevoeging of LAT.

Let op: Een aanvraag voor een toevoeging of een LAT is geen bewijs van toevoeging.

Hiermee wordt aangesloten bij het beleid van de rijksoverheid, dat beoogt door middel van een financiële prikkel rechtzoekenden zelf een eerste afweging te laten maken over nut of noodzaak van een procedure.

 

Reeds toevoeging aangevraagd/afgegeven

Het is niet de bedoeling om klanten die al een advocaat hebben ingeschakeld en waarvoor door de advocaat al een toevoeging is aangevraagd of waarvoor al een toevoeging is afgegeven, achteraf naar het Juridisch Loket te verwijzen met de bedoeling om alsnog een diagnosedocument te krijgen. Een diagnosedocument heeft alleen betekenis als het eerste contact bij het Juridisch Loket heeft plaatsgevonden. Als er al een advocaat is ingeschakeld

valt er niets meer te filteren en wordt alleen extra werk gegenereerd voor het Juridisch Loket.Uitzonderingen

Er zijn enkele uitzonderingen op de regel dat eerst het Juridisch Loket geraadpleegd moet worden. Bijvoorbeeld als iemand te maken krijgt met een bestuurlijke sanctie of in een civiele of bestuursrechtelijke zaak naar een hogere instantie (bijvoorbeeld in hoger beroep) gaat.

 

Griffierecht en proceskosten

Griffierechten moeten altijd vooraf betaald worden. De hoogte van het griffierecht hangt af van de soort procedure. Voor minvermogenden geldt een verlaagd tarief van € 78,00 (prijspeil 2015). Bijzondere bijstand voor griffierecht is mogelijk als een procedure noodzakelijk is. De noodzaak kan blijken uit het diagnosedocument van het Juridisch Loket of een toevoeging.

Bij een procedure lopen beide partijen het risico om te worden veroordeeld in de proceskosten. Verliest de klant de procedure en wordt hij ook veroordeeld in de proceskosten van de wederpartij, dan worden die proceskosten niet vergoed.

Wordt de wederpartij van de klant echter veroordeeld tot betaling van de proceskosten, dan moet de klant de gemeente daarover inlichten en dan moet hij eerder verstrekte bijzondere bijstand terugbetalen.

Neem bij de toekenning van de bijzondere bijstand daarom ook altijd in het besluit de voorwaarde op dat de klant de gemeente inlicht over de uitspraak. Stel vast of de klant de proceskosten van de wederpartij vergoed heeft gekregen. Je moet dit zelf bewaken.

 

Bewijsstukken

Diagnosedocument

Toevoeging van de Raad voor de Rechtsbijstand;

Nota advocaat.

 

7.3 Legeskosten verblijfsvergunningen

 

7.3.1 Legeskosten  verblijfsvergunning

Bij een eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning bestaat er geen recht op bijzondere bijstand voor legeskosten. Om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand is het namelijk van belang dat iemand gelijkgesteld kan worden met een Nederlander (artikel 11 lid 2 en 3 Participatiewet). Bij een eerste aanvraag is dit niet het geval.

 

Ook voor de verlenging van de verblijfsvergunning bestaat er geen recht op bijzondere bijstand. Bijstandsafhankelijkheid, gestegen legeskosten e.d. worden niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.

 

7.3.2 Kosten naturalisatie

De kosten voor naturalisatie zijn geen noodzakelijke kosten. Er kan voor deze kosten dan ook geen bijzondere bijstand worden verstrekt.

 

8 Jongeren van 18 t/m 20 jaar

 

8.1 Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen niet in een inrichting

Ouders kunnen aan hun onderhoudsverplichting voldoen door hun kind te laten inwonen. Een thuiswonende kan daarmee dus wel een beroep op zijn ouders doen en heeft daarom geen recht op aanvullende bijzondere bijstand.

 

Recht op bijzondere bijstand uitwonenden:

Als de jongere uitwonende is en de uitwoning is als noodzakelijk beoordeeld en hogere bestaanskosten heeft, dan waarin zijn inkomensvoorzieningsnorm voorziet en de middelen van zijn ouders hiertoe ontoereikend zijn of hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken, kan op grond van artikel 12 Participatiewet aanvullende bijzondere bijstand verstrekt worden. De bijzondere bijstand wordt waar mogelijk verhaald.

 

Beoordeling noodzaak uitwoning

De noodzaak van het zelfstandig wonen dient te worden vastgesteld. Dit kan blijken uit een indicatie van een hulpverleningsinstantie. Als de jongere voor de bijstandsbehoefte al langer dan 12 maanden zelfstandig woont (blijkens het GBA), is deze indicatie niet nodig. Bij gehuwde jongeren dient de beoordeling individueel per jongere te geschieden.

 

De indicatie van de instantie kan zich op 3 zaken richten:

 

de noodzaak van het uitwonend zijn van de jongere (crisissituatie, verstoorde

relatie enz.);

de (on)mogelijkheid dat de jongere zelf een beroep doet op de ouders;

de mogelijke nadelige gevolgen voor de jongere of het hulpverleningsproces als de gemeente de ouders benadert in verband met bijstandsverhaal. Bijvoorbeeld als de jongere op een geheim adres verblijft.

 

Soms kan een verklaring van een hulpverleningsinstantie achterwege blijven:

 

de ouders zijn overleden (let in dat geval op of de klant ANW rechten heeft);

de ouders zijn gedetineerd of opgenomen in een inrichting;

de ouders verblijven in het buitenland en contact is niet goed mogelijk;

als er al een verklaring is van een deskundige (bijvoorbeeld politierapport);

als er voorheen een justitiële maatregel gold.

 

In deze gevallen is uitwonend zijn een noodzaak..

 

Hoogte bijzondere bijstand

De aanvullende bijzondere bijstand bedraagt een percentage van de gehuwdennorm art.21

lid c Participatiewet

voor de alleenstaande van 18 jaar: 25%

voor de alleenstaande van 19 of 20 jaar: 30%:

voor de alleenstaande ouder van 18, 19 of 20: 30%;

voor de gehuwde van 18, 19 of 20 jaar: 15%.

 

Van de standaardbedragen kan op grond van individuele omstandigheden naar boven of beneden afgeweken worden als de hoogte van de woonlasten daartoe aanleiding geven.

 

De bijstand inclusief de aanvulling mag niet hoger zijn dan de bijstand voor personen van 21 jaar of ouder in vergelijkbare woonsituatie.

 

8.2 Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen in een inrichting (B080)

De bijstand die eventueel wordt verleend aan 18- tot en met 20-jarigen die in een inrichting verblijven, wordt geheel als bijzondere bijstand verleend. In artikel 13 lid 2 onderdeel 1 Participatiewet is geregeld dat deze groep uitgesloten is van het recht op algemene bijstand.

Bij personen in deze leeftijdscategorie wordt van de ouders over het algemeen een bijdrage gevraagd in de kosten van het verblijf in de inrichting.

 

De bijzondere bijstand wordt waar mogelijk verhaald op de ouders.

 

Hoogte bijzondere bijstand

De hoogte van de bijstand bedraagt de norm voor een in een inrichting verblijvende alleenstaande van 21 jaar of ouder, vermeld in artikel 23 lid 1, onderdelen a en b van de Participatiewet.

 

8.3 Procedure verhaal bijzondere bijstand jongeren

Als bijzondere bijstand is verleend aan een 18, 19 of 20-jarige met toepassing van artikel 12  Participatiewet wordt deze bijstand verhaald op diens onderhoudsplichtige ouders.

 

9 Kinderen

 

9.1 Babyuitzet

De kosten van babyuitzet (inrichting babykamer en overige baby benodigdheden) horen tot de algemene kosten van bestaan en moeten in principe uit het inkomen worden betaald. Ook als men een inkomen op het niveau van het sociaal minimum ontvangt wordt in principe voldoende ruimte in het inkomen aanwezig geacht om hiervoor te reserveren.

Voor de kosten van een babyuitzet wordt daarom in principe leenbijstand verstrekt. Alleen in individuele gevallen kan op grond van bijzondere omstandigheden bijstand om niet worden verleend als buiten toedoen van de belanghebbende voor deze kosten niet gereserveerd kon worden.

Bijzondere omstandigheden zijn bijvoorbeeld:

geboorte van een meerling;

een onvrijwillige zwangerschap ten gevolge van een zedenmisdrijf;

hogere kosten ten gevolge van medische complicaties.

 

Hoogte bijzondere bijstand

Er wordt maximaal bijzondere bijstand verstrekt ten hoogte van de NIBUD-norm voor het basispakket babyuitzet.

 

Bewijsstuk

Bank-/giroafschriften waaruit blijkt waarom er geen mogelijkheid tot reservering is (geweest).

 

9.2 LBIO  (Landelijk  Bureau  Inning  Onderhoudsbijdragen)-  bijdrage  residentiële  opvang

 

9.2.1 LBIO-bijdrage

De wijze waarop de LBIO-bijdrage wordt vastgesteld leidt ertoe dat de ouder de ouderbijdrage moet bekostigen uit eigen middelen, waaronder de kinderbijslag op grond van de Algemene kinderbijslag (AKW). Er bestaat in principe dan ook geen recht op bijzondere bijstand omdat de voorliggende voorziening, de kinderbijslag, moet worden aangemerkt als een passende en toereikende voorziening in de zin van de Participatiewet. (Rb Leeuwarden, 17-03-1999, nr. 97/1019, JABW 9-1999-nr. 81)

 

Leenbijstand

Omdat bij een niet tijdige betaling van de LBIO-bijdrage mogelijk het recht op kinderbijslag gevaar loopt, kan er als dit noodzakelijk is eenmalig leenbijstand voor deze kosten verstrekt worden. Aan de ouder moet de verplichting worden opgelegd om van de eerstvolgende uitbetaling kinderbijslag de LBIO-bijdrage te betalen.

 

Geen LBIO-bijdrage bij een ouder met één kind.

De ouder met één kind kan bij een uithuisplaatsing gelijkgesteld worden aan een alleenstaande. De LBIO-bijdrage voor een persoon met een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande wordt buiten invordering gesteld

9.2.2 Reiskosten bezoek aan uit huis geplaatste kinderen/omgangsregeling

De reiskosten voor bezoek aan een uit huis geplaatst kind door ouder(s) komen voor bijzondere bijstand in aanmerking.

De noodzaak en frequentie wordt op individuele basis vastgesteld (op advies van een instelling, bijv.  Jeugdbescherming). Er wordt bijzondere bijstand verstrekt als de afstand enkele reis meer dan 10 kilometer is.

 

Volgens vaste jurisprudentie komen de reiskosten die worden gemaakt in verband met een omgangsregeling, omdat beide (gescheiden) ouder niet dicht bij elkaar wonen, niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. De reiskosten in het kader van een omgangsregeling komen ten laste van de ouder tot wiens gezin het kind behoort. De kosten worden gezien als uitgaven welke in het familieverkeer normaliter voorkomen en dus om die reden niet kunnen worden beschouwd als uit bijzondere omstandigheden.

 

Hoogte bijzondere bijstand

Auto: de feitelijk te rijden kilometers, per kilometer wordt een bedrag vergoed van € 0,19 per kilometer op basis van de kortste route.

Openbaar vervoer: de werkelijk te maken kosten (goedkoopst adequate oplossing).

 

Bewijsstukken

Bewijs van uithuisplaatsing;

Bezoekregeling (van instelling, zoals bijv. Bureau Jeugdzorg);

Strippenkaart/treinkaart.

 

10 Zorgkosten

 

10.1 Communicatie en signalering

Telefoonkosten (gesprekskosten, abonnementskosten, aanschaf- en aansluitkosten) horen in principe tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die kunnen worden voldaan uit een inkomen op bijstandsniveau. De kosten voor  personenalarmering  met  een  medische  indicatie wordt volledig vanuit de basisverzekering vergoed.

Bijzondere bijstand voor de (geringe) kosten van alarmering om sociale redenen worden geacht te worden voldaan uit de categoriale bijzondere bijstand voor 65-plussers. Bijzondere bijstand is niet mogelijk omdat de voorliggende voorziening bewust heeft gekozen om alarmering om sociale redenen niet te vergoeden.

 

10.2 Maaltijdvoorziening

Alleen noodzakelijk gebruik (op basis van Wmo-indicatie) van een warme maaltijdvoorziening kan voor bijzondere bijstand in aanmerking komen.

 

Hoogte bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de meerkosten. De meerkosten zijn de extra kosten hoger dan het bedrag dat mensen met een gelijke leeftijd volgens het NIBUD uitgeven aan een warme maal tijd.

 

Bewijsstukken

Indicatie Wmo;

Nota geleverde maaltijden.

 

10.3 Stookkosten

 

10.3.1 Stookkosten

Stookkosten horen tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze moeten uit het (bijstands)inkomen worden voldaan.

 

10.3.2 Energiekosten

Kosten voor het gebruik van elektriciteit horen tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze moeten uit het (bijstands)inkomen worden voldaan. Dit geldt ook voor het elektriciteitsgebruik van een elektrische rolstoel of een scootermobiel.

 

10.4 Verzorging en hulp

 

10.4.1 Eigen bijdrage Wmo (hulp bij huishouden en hulpmiddelen)

Voor het merendeel van de Wmo-voorzieningen wordt een wettelijke eigen bijdrage berekend. De eigen bijdrage kan inkomensafhankelijk vastgesteld. Ook voor  inkomens  op  het  sociaal  minimum wordt een eigen bijdrage gerekend. De inkomensafhankelijke wettelijke  eigen bijdrage komt niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

Voor niet-inkomensafhankelijke wettelijke eigen bijdrage, kan bijzondere bijstand worden verleend voor zover de kosten deze eigen wettelijke eigen bijdrage per kalenderjaar hoger zijn dan € 100,00.

 

Hoogte van de bijzondere bijstand

100% vergoeding van de kosten hoger dan € 100,00 van de maximale periode bijdrage.

 

Bewijsstukken

Nota CAK.

     

10.4.2 Eigen bijdrage ZWV (zorg zonder verblijf)

Voor de toepassing zorg zonder verblijf (persoonlijke verzorging of verpleging) wordt een eigen bijdrage berekend. De eigen bijdrage wordt inkomensafhankelijk vastgesteld. Ook voor inkomens op het sociaal minimum wordt een eigen bijdrage gerekend. Deze eigen bijdrage komt niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

 

10.4.3 Kraamzorg (thuis of in geboortecentrum)

Voor kraamzorg geldt een wettelijke eigen bijdrage. Voor de eigen bijdrage kan bijzondere bijstand worden verstrekt.

 

Hoogte van de bijzondere bijstand

Vergoeding van de wettelijke eigen bijdrage voor zover hoger dan de ondergrens van € 100,00.

 

Bewijsstukken

Vergoedingenoverzicht  zorgverzekeraar.

 

11 Reiskosten

 

11.1 Reiskosten bezoek gedetineerde

De kosten voor het vervoer van het woonadres van de bezoeker (=belanghebbende) naar inrichting waar de gedetineerde verblijft.

De noodzaak voor het bezoeken van een gedetineerde is aanwezig als:

de gedetineerde hoort tot de 1ste of 2de-graads familie van belanghebbende, en;

de gedetineerde verblijft in een gesloten inrichting (= geen recht op verlof), en;

de inrichting buiten de gemeente is gelegen (maar binnen Nederland), en;

de bezoekfrequentie maximaal 1 keer per maand per gezinslid bedraagt.

 

Hoogte van de bijzondere bijstand

Auto: de feitelijk te rijden kilometers, per kilometer het bedrag vergoeden van € 0,19 per kilometer op basis van de kortste route.

Openbaar vervoer: de werkelijk te maken kosten (goedkoopst adequate oplossing).

 

Bewijsstukken

Bewijs van detentie;

Strippenkaart/treinkaart.

 

 

 

11.2 Reiskosten woon-werkverkeer (verwervingskosten)

Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor reiskosten woon-werkverkeer. Als deze kosten zich voordoen kunnen hiervoor middelen uit het participatiebudget ingezet worden. Hierbij dient wel in ogenschouw te worden genomen dat een vergoeding geen automatisme is, Er dient nadrukkelijk te worden afgestemd op de individuele situatie.

 

11.3 Reiskosten bezoek zieke familieleden

De kosten voor het vervoer van het woonadres van de bezoeker naar het verpleegadres waar de zieke verblijft.

 

Voorliggende voorziening

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden kan worden gedaan op een voorliggende voorziening. Denk in dit verband aan een aanvullende zorgverzekering. Hierin is bijvoorbeeld geregeld dat de reiskosten worden vergoed bij opname in een ziekenhuis dat verder dan 50 kilometer van de woonplaats ligt (vergoeding gasthuis-reiskosten gezinsleden).

 

Recht op bijzondere bijstand

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als het gaat op incidentele kosten. Het moet daarnaast gaan om noodzakelijke kosten. De noodzaak voor het bezoeken van een zieke is aanwezig als:

de zieke een 1ste of 2de-graads familie van belanghebbende is, en;

het verpleegadres meer dan 10 kilometer van de woning van de belanghebbende ligt (maar binnen Nederland).

 

Het aantal te vergoeden bezoeken (de frequentie) hangt onder meer af van de ernst van de situatie en de afstand tussen de woonplaats en het ziekenhuis of de inrichting. Een en ander zal individueel beoordeeld moeten worden.

 

Hoogte bijzondere bijstand

Auto: de feitelijk te rijden kilometers, vergoeding is € 0,19 per kilometer op basis van de kortste route.

Openbaar vervoer: de werkelijk te maken kosten (goedkoopst adequate oplossing).

 

 

Bewijsstukken

Bewijs van opname;

Strippenkaart/treinkaart.

 

11.4 Reiskosten bezoek Werkplein

De reiskosten in verband met een bezoek aan het Werkplein horen tot de reguliere reiskosten die uit een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm kunnen worden voldaan.

Werkplein 'de Lure' is gevestigd in Zwolle, de reisafstand is daarom geen bijzondere omstandigheid. Bijzondere omstandigheden kunnen wel aanwezig geacht worden als een belanghebbende is aangewezen op bijzonder vervoer (vastgesteld via indicatie van een arts).

 

12 Schulden

 

12.1 Kosten schuldhulpverlening

De gemeente Oldebroek heeft een overeenkomst afgesloten met een uitvoeder voor de uitvoering van:

het minnelijke traject van de schuldhulpverlening;

het verstrekken van de gemeentelijke verklaring die nodig is voor het wettelijk traject (WSNP), en;

het verlenen van budgetbeheer.

 

Geen bijzondere bijstand voor andere schuldhulpverleners of budgetbeheerders

Er wordt ook door andere instanties tegen betaling schuldhulpverlening en budgettering uitgevoerd. Omdat de gemeente zelf schuldhulpverlening en budgettering aanbiedt, wordt er voor de kosten van andere schuld- hulpverleners geen bijzondere bijstand verleend.

 

12.2 Suppletie GKB-lening

Er wordt geen suppletie verstrekt.

 

 

13 Inkomensachteruitgang  

 

13.1 Toeslag voormalig alleenstaande ouder

 

Deze toeslag is vervallen per 1 januari 2015. Toeslagen die tot en met 31 december 2014 zijn toegekend kunnen blijven doorlopen tot het betreffende kind 21 jaar wordt of zelfstandig gaat wonen op een ander adres.

 

De aanvulling wordt uitbetaald aan de ouder. Als de algemene bijstand stopt, stopt ook de toeslag.

 

Voor de omrekening van inkomsten exclusief vakantietoeslag houd je de regels van artikel 31 lid 4 Participatiewet aan.

Bij een kind met WSF geldt:

Voor kinderen in Hoger onderwijs 52% van het meest recente bedrag dat voor levensonderhoud thuiswonenden wordt genoemd in overzicht 1 van art. 3.18 WSF 2000 (vanaf 1 januari 2014 is dat 52% van € 633,44 = € 329,39);

voor kinderen in Beroepsonderwijs 68% van het meest recente bedrag voor levensonderhoud thuiswonenden wordt genoemd in overzicht 1 van art. 3.18 WSF 2000. (vanaf 1 januari 2013 is dat 68% van € 472,89 = € 321,57).

Als een kind een tegemoetkoming op basis van de WTOS heeft, gelden artikel 33 lid 3 Participatiewet en artikel 4.3 WTOS.: Dit laatste artikel geeft voor een thuiswonende leerling € 106,20 (tot 1 januari 2013).

Is er aan het kind alimentatie toegewezen dan wordt die ook aan het inkomen toegerekend.

Heeft het kind geen inkomsten, om welke reden dan ook, dan wordt in de berekening het inkomen van het kind gesteld op de van toepassing zijnde bijstandsnorm + VT. Dat voorkomt dat de norm eenoudergezin verhoogd wordt tot echtparennorm waar de feitelijke situatie wijzigt naar alleenstaande.

 

Berekening

In schema ziet de berekening er als volgt uit:

bij: norm echtpaar (relevante norm)

af: inkomen ouder (minus een eventueel toepasselijke gemeentelijke verlaging) af: inkomen kind

-----------------------------------------------------------------------------------------------

= aanvulling bijzondere bijstand

 

 

13.2 Overbrugging scherpe terugval in inkomen

Het college verstrekt geen bijzondere bijstand ter (gedeeltelijk) compensatie van een (scherpe) inkomensachteruitgang. De bijstandsnorm wordt toereikend geacht voor de voorziening in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten.

 

Uitzondering

Er kan een overbruggingsuitkering worden verstrekt als de belanghebbende bij het indienen van de aanvraag voor uitkering niet voldoende middelen heeft om de periode tussen de aanvraag en de eerste uitbetaling van de uitkering zelf te overbruggen.

In de volgende situaties kan dit aan de orde zijn:

bij het (gedeeltelijk of) volledig ontbreken van inkomen vóór de uitkeringsaanvraag (detentie, inrichting, toelage COA);

bij echtscheiding waarbij de aanvrager onvoorzien achterblijft zonder financiële middelen.

 

 

Daarnaast moet er voldaan zijn aan de volgende voorwaarden:

er moet sprake zijn van broodnood;

de financiële situatie is zodanig dat het verlenen van een voorschot geen oplossing biedt omdat dit een schuldensituatie creëert of in stand houdt;

er is geen sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

 

Hoogte  en vorm bijzondere bijstand

De overbruggingsuitkering bedraagt € 50,00 per week voor een alleenstaande en € 75,00 voor een alleenstaande ouder en een echtpaar. De bijstand wordt verstrekt als bijstand 'om niet'.

 

Bewijsstukken

Bewijsstukken die aantonen dat er geen financiële middelen zijn (bijv. bank-/giroafschrift).

 

14 Uitstroomkosten

 

14.1 Kosten van scholing en opleiding

Voor de kosten van noodzakelijk geachte scholing wordt in principe geen bijzondere bijstand verleend. Als deze kosten zich voordoen en noodzakelijke zijn op basis van de omstandigheden van een individueel geval, kunnen deze kosten via het participatiebudget (P-wet werkdeel) worden vergoed.

 

14.2 Verwervingskosten (algemeen)

Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor algemene verwervingskosten. Als deze kosten zich voordoen kunnen deze kosten via het participatiebudget worden vergoed. Dit dient individueel te worden beoordeeld. Indien het niet gaat om algemene bestaanskosten maar nadrukkelijk om kosten die zich in het individuele geval voordoen, is een vergoeding uit het participatiebudget mogelijk.

 

14.3 Kosten kinderopvang (verwervingskosten)

Voor de kosten van kinderopvang wordt in principe geen bijzondere bijstand verstrekt. De Wet Kinderopvang is aan te merken als een voorliggende voorziening. Als deze kosten zich voordoen in de vorm van een eigen bijdrage kunnen deze kosten via het participatiebudget (werkdeel) worden vergoed. Dan dient wel te worden beoordeeld of er geen andere mogelijkheden zijn om het kind op te vangen (bijvoorbeeld partner) en zal afhangen van de resultaten van een traject. Aan de bijzondere bijstand dient dan de voorwaarde te worden verbonden, dat men naar vermogen voldoende inspanningen doet voor het slagen van het traject.

 

14.4 Reiskosten woon-werkverkeer (verwervingskosten)

Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor reiskosten woon-werkverkeer. Als deze kosten zich voordoen kunnen hiervoor middelen uit het participatiebudget ingezet worden. Ook hier is sprake van een individuele afweging. Reiskosten woon-werkverkeer worden gezien als algemene noodzakelijke kosten.    

 

15 Woonkosten: incidenteel

 

15.1 Verhuiskosten

De kosten voor een verhuizing zijn algemene kosten. Als er sprake is van een bijzondere situatie, kun je hiervoor bijstand “om niet” verlenen. Let daarbij goed op wat iemand wel of niet zelf kan; bijvoorbeeld met hulp van vrienden of familie in plaats van professionele verhuizers. Opslag van inboedel kan noodzakelijk zijn.

 

Leenbijstand wordt in principe niet meer verstrekt. Als er echt sprake is van een bijzondere situatie en bijzondere kosten wordt bijstand om niet verleend.

 

Het verstrekken van leenbijstand is onwenselijk omdat daarmee het nemen van eigen verantwoordelijkheid wordt ontmoedigd en de kans op overkreditering toeneemt. Leenbijstand wordt immers niet getoetst of geregistreerd door het BKR.

Soms verkeren mensen in zodanige omstandigheden dat bijstandsverlening noodzakelijk is. Het kan gaan om:

Mensen die uit de crisisopvang komen en opnieuw moeten beginnen (Blijf-van-mijn-lijf huis)

Mensen die na langdurige verblijf in een verzorgings- of verplegingshuis weer zelfstandig gaan wonen en onvoldoende middelen hebben.

Mensen die om medische redenen moeten verhuizen en niet door eigen toedoen buiten de werking van de voorliggende voorzieningen vallen.

Mensen die vanwege sociale redenen met spoed moeten verhuizen, zonder dat er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening.

Jongeren die vanuit een crisissituatie zelfstandig gaan wonen

 

Als er geen reserveringen zijn die aangewend kunnen worden, of mogelijkheden om een lening af te sluiten bij een Kredietbank, dan kan er bijstand (om niet) worden verstrekt.

 

Leenbijstand kan enkel nog worden verstrekt in uitzonderlijke situaties waarbij de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. (Artikel 48, 2de lid onder b, Participatiewet). Dit is niet bedoeld als ontsnappingsclausule. Als iemand niet of onvoldoende gereserveerd heeft voor vervangingsuitgaven is dat geen reden om (leen)bijstand te verstrekken.

Het kan alleen gaan om kosten die in bijzondere situaties noodzakelijk zijn, niet uitstelbaar zijn en die onvermijdelijk gemaakt moeten worden waarbij er geen enkel ander beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening.

Voor alle leenbijstand geldt standaard dat na 36 termijnen aflossing, het restant wordt kwijtgescholden. De aflossing is standaard 6% van de norm.

 

In principe wordt het standpunt gehanteerd dat er voor de kosten van een verhuizing gereserveerd moet worden. In incidentele gevallen kan hiervan worden afgeweken. De criteria hiervoor zijn:

de verhuizing is noodzakelijk;

de extra kosten zijn noodzakelijk (een belanghebbende heeft geen mogelijkheid om de inboedel zelf te vervoeren);

er  is sprake  van bijzondere  omstandigheden  (zie hierboven) waardoor er niet is gereserveerd;

er is geen voorliggende voorziening (verhuizing in verband met medische noodzaak valt bijvoorbeeld onder de Wmo).

 

Geen bijzondere omstandigheden zijn aanwezig waar het gaat om de eerste huisvesting van jongeren die het ouderlijk huis gaan verlaten. Deze kosten wordt niet als noodzakelijk gezien omdat de keuze van het moment van zelfstandig wonen aangepast kan worden aan de financiële middelen van de jongere.

 

Verhuiskosten

duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten

de  noodzakelijke  kosten  die  rechtstreeks  verband  houden  met  de  verhuizing,  bijvoorbeeld transportkosten.

 

Hoogte bijzondere bijstand

Gekozen moet worden voor de goedkoopst adequate oplossing. Als de belanghebbende bijvoor- beeld in het bezit is van een auto kan volstaan worden met de huur van een boedelbak.

 

Bewijsstukken

Kostenoverzicht van de te verwachten kosten.

 

15.2 Eerste maand huur en administratiekosten

De woningstichting heeft als beleid dat de huur altijd 1 maand vooruit betaald moet worden. Als de huur niet per de eerste van de maand ingaat, gaat het zelfs om de gebroken maand, plus de huur van de daaropvolgende maand.

 

Recht op bijzondere bijstand

De kosten van eerste huur en administratiekosten horen tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm, door middel van reservering dan wel gespreide betaling achteraf. Dit bete- kent dat er in principe geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten.

 

Noodzaak

Zijn er bijzondere omstandigheden in het individuele geval dan kan er, als men niet heeft kunnen reserveren, toch bijzondere bijstand worden verleend. Belanghebbende moet aantoonbaar maken dat er in het geheel geen middelen zijn om de eerste verhuurnota te kunnen voldoen.

 

Bijzondere omstandigheden kunnen aanwezig zijn in de onderstaande situaties:

een belanghebbende betrekt een huurwoning na langdurig verblijf in een inrichting of detentie;

een belanghebbende moet verhuizen op grond van een verhuisplicht die door Sociale Zaken is opgelegd;

een belanghebbende gaat scheiden en verhuist naar een andere woning;

een belanghebbende moet om zwaarwegende, sociale redenen binnen korte tijd en onvoorzien verhuizen.

 

Bijzondere omstandigheden zijn in ieder geval aanwezig als een belanghebbende een eerste huisvesting krijgt meteen na het verlaten van een vluchtelingenopvang (AZC of ROA-woning). Er is tot dat moment alleen een inkomen geweest in de vorm van een persoonlijke toelage, waarvan reserveren voor de kosten niet mogelijk was.

 

Geen bijzondere omstandigheden zijn aanwezig waar het gaat om de eerste huisvesting van jonge- ren die het ouderlijk huis gaan verlaten. Deze kosten wordt niet als noodzakelijk gezien omdat de keuze van het moment van zelfstandig wonen aangepast kan worden aan de financiële middelen van de jongere.

 

Hoogte bijzondere bijstand

Bij een ingangsdatum per de 1e van de maand betreft het de huur waarop de huurtoeslag in mindering is gebracht;

Bij een ingangsdatum anders dan de 1e van de maand:

de eerste (gebroken) maand betreft de volledige huur (zonder aftrek van huurtoeslag omdat daarop geen recht bestaat bij een gebroken maand) naar rato van de (resterende) dagen van de maand.

de volgende maand betreft de huur waarop de huurtoeslag op in mindering is gebracht.

Dit wordt door de woningstichting al in de eerste verhuurnota verwerkt.

 

Bewijsstukken

Eerste verhuurnota.

 

15.3 Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten

De kosten van duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten(bijvoorbeeld verf en behang)  horen tot de incidenteel voorkomende algemene noodzakelijk kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm, door middel van reservering dan wel gespreide betaling achteraf. Dit betekent dat er in principe geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten.

 

Noodzaak

Zijn er bijzondere omstandigheden in het individuele geval dan kan er, als men niet heeft kunnen reserveren, toch bijzondere bijstand worden verleend. Bijzondere omstandigheden kunnen aanwezig zijn in de onderstaande situaties:

Een noodzakelijk verhuizing.

Als noodzakelijk verhuizing wordt aangemerkt een verhuizing die het gevolg is van een ver- huisverplichting in verband met de verstrekking van een woonkostentoeslag (zie B146).

Voor een verhuizing op medische gronden is de Wmo een voorliggende voorziening en is bijzondere bijstand in principe niet mogelijk.

Een eerste huisvesting na het verlagen van een AZC- of ROA-woning.

Gelet op het eerder genoten inkomen (COA-toelage) was er geen ruimte om te kunnen reserveren voor de kosten van een complete woninginrichting.

Echtscheiding/beëindiging samenwoning.

In dit geval wordt er in principe vanuit gegaan dat er geen sprake is van een volledige woning- inrichting. Dit omdat de boedel gedeeld wordt tussen de beide (ex)partners. Per individueel geval zal gekeken moeten worden welke inrichtingskosten noodzakelijk zijn. De noodzaak kan beoordeeld worden na het afleggen van een huisbezoek.

 

Hoogte bijzondere bijstand

Het bedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt, wordt vastgesteld aan de hand van de prijzengids van het NIBUD. Bij een volledige woninginrichting wordt uitgegaan van 60% van het inventarispakket naar huishoudtype volgens het NIBUD. Uitgangspunt hiervan is dat bij een (volledige) inrichting een deel tweedehands kan worden aangeschaft via overname van derden of kringloopwinkel.

 

Vorm en betaling bijzondere bijstand

Duurzame gebruiksgoederen in de vorm van leenbijstand;

Overige inrichtingskosten in principe om niet.

 

Bij een volledige woninginrichting is er ook sprake van overige inrichtingskosten. Deze kosten moeten in principe om niet worden verleend. Bij een volledige woninginrichting is het lastig om op voorhand een bedrag voor overige inrichtingskosten vast te stellen. Daarom wordt dit meegenomen in de leenbijstand.

De restant schuld wordt in principe, na een aflossing van 36 maanden volledig betaalde maandelijkse aflossingsbedragen, omgezet in bijstand om niet. De restant schuld is in principe altijd hoger dan de kosten voor de overige inrichtingskosten, waardoor belanghebbende hierin niet benadeeld wordt.

 

Bewijsstukken

De bijzondere bijstand wordt rechtstreeks uitbetaald aan de leverancier, of op voorschotbasis ver- strekt. Dit omdat van een belanghebbende niet verwacht kan worden de kosten zelf voor te schieten. Aan de belanghebbende wordt de verplichting opgelegd om achteraf het betalingsbewijs te overleggen. Bij inrichtingskosten worden ook vaak kleinere aanschaffen gedaan, zoals kleine gereedschappen, spijkers, verf, kwasten e.d. In principe geldt dat ook deze aanschaffen moeten worden geadministreerd, doch een bedrag van € 350,00 behoeft niet nader te worden verantwoord als blijkt dat er aantoonbaar (bijvoorbeeld door middel van een huisbezoek) kleine aanschaffen zijn gedaan.  

 

De bijstand voor een volledige woninginrichting wordt in minimaal 3 termijnen (voorschotten) verstrekt. Een tweede en volgend voorschot wordt verstrekt op het moment dat van het voorgaan- de voorschot de betalingsbewijzen zijn overlegd.

 

16 Woonkosten: periodiek

 

16.1 Berekening woonkostentoeslag huurders

 

16.1.1 Een nieuwe huurder

Huurtoeslag wordt toegekend per de eerste van de maand. Er kan woonkostentoeslag worden ver- strekt over de gebroken maand huur. Deze situaties kunnen zich voordoen bij een nieuwe huurder (bijvoorbeeld in het geval van echtscheiding of nieuwkomers).

 

Hoogte bijzondere bijstand

Door middel van een proefberekening via de website van de Belastingdienst (www.toeslagen.nl) kan vastgesteld worden wat de hoogte is van de huurtoeslag. Vervolgens moet over de gebroken maand huur, naar rato van de resterende dagen van de maand, vastgesteld worden wat de hoogte is van de te verstrekken bijzondere bijstand.

 

Bewijsstukken

Huurspecificatie;

Proefberekening huurtoeslag.

 

16.1.2 Terugval in inkomen en geen recht op huurtoeslag.

Als een woning wordt bewoond waarvan de huur de maximale huurgrens volgens de Wet op de huurtoeslag overschrijdt en er sprake is van een inkomstenterugval, kan er tijdelijk bijzondere bijstand worden verstrekt voor woonkosten.

Deze bijstand wordt voor ten hoogste een jaar verstrekt. Aan de bijstand wordt met toepassing van artikel 55 Participatiewet de voorwaarde verbonden dat de belanghebbende omziet naar een goedkopere woning, waarvan de huur in overeenstemming is met zijn inkomen. Bovendien dient in de voorwaarden nadrukkelijk te worden opgenomen, dat de belanghebbende alles in het werk moet stellen om een nieuwe inkomensvoorziening te bemachtigen. Hiervan (dus alle pogingen om een andere woning + alles in het werk stellen om een andere inkomensvoorziening te bemachtigen)   moeten bewijsstukken  van ingeleverd worden (agendeer een tussentijds onderzoek na een half jaar).

 

Hoogte bijzondere bijstand

De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het verschil tussen de te betalen huur en de normhuur als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag. Bij de berekeningen van de woonkostentoeslag wordt het meer inkomen voor 100% in aanmerking genomen. Vermogen dat meer bedraagt dan de bedragen genoemd in artikel 34 Participatiewet worden eveneens volledig in aanmerking genomen.

 

Bewijsstukken

Huurspecificatie;

Proefberekening huurtoeslag;

Beschikking afwijzing huurtoeslag.

16.2 Berekening woonkostentoeslag eigenaren

Als er sprake is van een eigen woning en er is sprake van een inkomsten terugval, kan er tijdelijk bijzondere bijstand worden verstrekt voor woonkosten. Er kan in principe slecht een toeslag worden verstrekt als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

de in aanmerking te nemen woonlasten zijn, na aftrek van de ontvangsten, hoger dan het bedrag van de toepasselijke basishuur, en;

(verdere) bezwaring van de woning kan niet worden gevergd;

er door belanghebbende in voldoende mate naar zal worden gestreefd naar een nieuwe inkomensvoorziening (indien van toepassing.

 

Onder woonkosten wordt verstaand de kosten die de eigenaar verschuldigd is voor:

 

de hypotheekrente (De hypotheekrente wordt voor 70% genomen omdat deze rente ook aftrekbaar is voor de inkomstenbelasting. Het percentage teruggaaf ligt op iets meer dan 30%. Door slechts 70% in de berekening op te nemen hoeft de belastingteruggaaf niet te worden teruggevorderd voor dat gedeelte dat betrekking heeft op de hypotheekrente).

de premie voor de opstalverzekering;

de erfpachtcanon;

de waterschapslasten;

een vast bedrag voor de kosten van groot onderhoud en ingrijpende reparaties. De kosten van groot onderhoud en ingrijpende reparaties wordt vastgesteld conform het budgethandboek NIBUD. Het gaat dan om:

onderhoud woning;

onderhoud CV-installatie.

Deze kosten worden omgerekend naar een bedrag per maand.

 

Aan de bijstand wordt, met toepassing van artikel 55 Participatiewet, de voorwaarde verbonden dat de belanghebbende omziet naar een goedkopere woning, waarvan de woonlasten in overeenstemming zijn met zijn inkomen. Hier moet de belanghebbende bewijsstukken van overleggen.

 

Hoogte bijzondere bijstand

De woonkostentoeslag wordt vastgesteld overeenkomstig de Wet op de huurtoeslag.

 

Bewijsstukken

Bewijsstukken van woonkosten die aanvrager heeft, genoemd onder 1 tot en met 5.

 

16.3 Kosten vaste lasten tijdens verblijf in een inrichting

Als iemand wordt opgenomen in een inrichting en er aan belanghebbende algemene bijstand is toegekend naar de norm voor zak- en kleedgeld, kan er bijzondere bijstand worden toegekend voor de vaste lasten van het aanhouden van de woning.

Er kan alleen bijzondere bijstand worden toegekend als vooraf wordt vastgesteld (door o.a. behandelplan, informatie hulpverleners) dat de opname maximaal een half jaar is.

De bijzondere bijstand kan worden toegekend per de ingangsdatum van de lagere ´zak- en kleedgeld´ norm.

 

De volgende vaste lasten kunnen voor vergoeding in aanmerking komen:

huur (waarop de huurtoeslag in mindering is gebracht);

vastrecht gas, elektriciteit, water;

verzekeringen die samenhangen met de woning (inboedelverzekering).

 

Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor de verbruikskosten van gas, elektriciteit en water. De belanghebbende moet de voorschotnota´s dan ook zo spoedig mogelijk te verlagen tot het vastrecht.

 

Hoogte bijzondere bijstand

Voor de huur wordt bijzondere bijstand verleend voor het bedrag waarop de huurtoeslag in mindering is gebracht. Voor het vastrecht kan het bedrag zoals is gefactureerd op de voorschotnota´s wordt vergoed. Voor eventuele verzekeringen die samenhangen met de woning kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor het bedrag zoals op de factuur wordt vermeld.

 

Bewijsstukken

Plaatsingsbewijs inrichting;

Huurspecificatie;

Beschikking huurtoeslag;

Nota  energie-/waterleverancier;

Nota eventuele verzekeringen.

 

16.4 Kosten vaste lasten woning gedetineerde

Voor de kosten van het aanhouden van woonruimte in de periode dat de  belanghebbende gedetineerd is kan in de regel geen bijzondere bijstand worden verleend. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om ter zake een afdoende regeling te treffen. In acute

noodsituaties waarin dit niet mogelijk is, kan mogelijk de gemeente op grond van zeer dringende redenen bijzondere bijstand verstrekken voor woonkosten op grond van artikel 16 WWB.

Het betreft echter slechts heel uitzonderlijke situaties waarbij steeds een strikt individuele afweging van de omstandigheden noodzakelijk is. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat er sprake moet zijn van acute levensbedreigende omstandigheden. Hiervan zal in situaties van detentie geen sprake zijn.

 

 

17 Slotbepalingen

 

 17.1  Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregel indien toepassing van de beleidsregel tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

 

17.2 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt een dag na bekendmaking in werking en treedt terug tot 14 april 2015

 

17.3 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel Bijzondere Bijstand Gemeente Oldebroek 2015

 

 

Aldus besloten in de vergadering van het college

van burgemeester en wethouders van Oldebroek

op 14 april 2015

 

 

 

               , burgemeester mr. A. Hoogendoorn

 

 

 

               ,secretaris drs. B. Brand MCM

 

 

Bijlage 1: Lijst van afkortingen

 

AKW     Algemene Kinderbijslag Wet

Awb     Algemene wet bestuursrecht

AWBZ     Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten

AZC     Asielzoekerscentrum

BW     Burgerlijk Wetboek

CAK     Centraal  Administratiekantoor

COA     Centraal Orgaan opvang asielzoekers

College van B&W     College van burgemeester en wethouders

CRvB     Centrale Raad van Beroep

GGZ     Geestelijke gezondheidszorg

GKB     Gemeentelijke Kredietbank

IOAW     Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte

werkloze werknemers

IOAZ     Wet  inkomensvoorziening  oudere  en  gedeeltelijk  arbeidsongeschikte  

gewezen zelfstandigen

KNO     Keel-, Neus- en Oorheelkunde

LBIO     Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen

LOVCK     Landelijk Overleg Voorzitters Civiele en Kantonsectoren

NIBUD     Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting

NVVK     Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet

ROA     Regeling Opvang Asielzoekers

TOG     Tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen

VT     Vakantietoeslag/geld

Wajong     Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten

WAO     Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

Wi     Wet inburgering

WIA     Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

WIJ     Wet Investeren in Jongeren

Wmo     Wet maatschappelijke ondersteuning

Wrb     Wet op de rechtsbijstand

WSF     Wet studiefinanciering 2000

WSNP     Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen

WTCG     Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten

WTOS     Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

WWB     Wet werk en bijstand

Zvw     Zorgverzekeringswet

 

 

 

 

Bijlage 2: Heronderzoek periodieke bijzondere bijstand

 

 

 

 

 

Bijlage 1

Bijlage 1 (PDF)
Omschrijving:

Bijlage 2

Bijlage 2 (PDF)
Omschrijving:

Beleidsregels bijzondere bijstand 2015 Oldebroek

Beleidsregels bijzondere bijstand 2015 Oldebroek (PDF)
Omschrijving:
De bijlagen bevatten het originele document.
De tekst hierin komt overeen met de gepubliceerde versie.