Disclaimer

De informatie in dit onderdeel vormt geen bekendmaking in de zin van de Gemeentewet of de Algemene wet bestuursrecht. Alleen publicatie in Huis aan Huis, onder de kop Gemeentenieuws Oldebroek, heeft een officieel karakter.

U vindt onderstaand de geldende Algemeen Verbindende Voorschriften (verordeningen) en beleidsregels van de gemeente Oldebroek. In het onderdeel 'Concept regelgeving' vindt u de nog niet vastgestelde versies. Deze concept versies worden gebruikt tijdens de besluitvorming en hebben uitsluitend een informatief doel.

Zoeken in regelgeving

            

Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie H2O

Voor deze verordening versie is geen samenvatting ingevoerd.

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie Gemeente Oldebroek
Vastgesteld door college van burgemeester en wethouders
Officiële naam van de regeling Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie H2O
Citeertitel van de regeling Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie H2O
Onderwerp bestuur en recht
Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) Geen.
Opmerkingen m.b.t. de regeling Geen.
Betreft (aard van de wijziging) nieuwe regeling
Datum uitwerkingtreding
Datum inwerkingtreding 19-12-2017
Terugwerkende kracht (t/m)
Datum ondertekening 14-03-2017
Bron bekendmaking Staatscourant, 2017, 72870
Kenmerk voorstel 275960.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Wet gemeenschappelijke regelingen, art. 8, lid 3

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Datum uitwerkingtreding Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
19-12-2017 nieuwe regeling 14-03-2017
Staatscourant, 2017, 72870
275960.

Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie H2O

 

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Hattem, Heerde en Oldebroek,

 

Overwegende dat

  • de colleges van burgemeester en wethouders van Hattem, Heerde en Oldebroek eerder een samenwerking zijn overeengekomen om hun ondersteuning op het terrein van ICT gezamenlijk op te pakken teneinde de efficiency en effectiviteit in de bedrijfsvoering van de gemeenten te bevorderen;

  • dat de colleges van burgemeester en wethouders van Hattem, Heerde en Oldebroek op 21 juni 2016 de notitie ‘Ankerpunten vormgeving samenwerking rondom I-diensten’ d.d. 18 februari 2016, met inachtneming van de op 24 mei 2016 aangenomen wijziging hebben vastgesteld, waarin is gekozen voor het vormgeven van de samenwerking in een bedrijfsvoeringsorganisatie;

  • artikel 8, lid 3 van de Wet gemeenschappelijke regelingen de instelling van een bedrijfsvoeringsorganisatie met rechtspersoonlijkheid mogelijk maakt;

  • de raden van de gemeenten Hattem, Heerde en Oldebroek in eensluidende besluiten op grond van artikel 1, lid 2 van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen toestemming hebben gegeven aan hun respectievelijke colleges voor het treffen van de onderhavige gemeenschappelijke regeling;

 

 

B E S L U I T E N:

 

tot het treffen van een gemeenschappelijke regeling, met als gevolg dat de bedrijfsvoeringsorganisatie H2O wordt ingesteld.

 

 

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.      In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

  1. a)bedrijfsvoeringsorganisatie: een bedrijfsvoeringorganisatie, als bedoeld in artikel 8, lid 3 van de wet;

  2. b)bestuur: het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, als bedoeld in artikel 14a van de wet;

  3. c)college: het college van burgemeester en wethouders dat deelneemt aan deze regeling;

  4. d)deelnemende gemeente: de gemeenten Hattem, Heerde en Oldebroek;

  5. e)deelnemer(s): de gemeente(n) waarvan het college aan deze regeling deelneemt;

  6. f)gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Gelderland;

  7. g)manager; de leidinggevende van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

 

  1. h)personeel: het personeel dat op basis van een ambtelijke aanstelling, op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, dan wel op basis van detachering werkzaam is bij de bedrijfsvoeringsorganisatie;

  2. i)raad: de raad van een deelnemer aan deze regeling;

  3. j)regeling: de Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie H2O;  

  4. k)samenwerkingsverband: een publieke rechtspersoon waarin een of meer van de deelnemende gemeenten samen werkt met andere overheden ter uitvoering van opgedragen taken;

  5. l)wet: De Wet Gemeenschappelijke regelingen (Wgr).

 

2.      Tot deze regeling kan ook een samenwerkingsverband toetreden. Bij toetreding wordt de regeling enkel zodanig aangepast dat de bevoegdheden zoals die nu voor de colleges en de raden van de deelnemende gemeenten in deze regeling zijn opgenomen, alsdan voor het dagelijks respectievelijk het algemeen bestuur van het samenwerkingsverband zullen gelden.

 

Artikel 2 Bedrijfsvoeringorganisatie.

  1. 1.Er is een bedrijfsvoeringorganisatie met de naam Bedrijfsvoeringsorganisatie H2O.

  2. 2.De bedrijfsvoeringsorganisatie is gevestigd te Hattem.

 

 

Hoofdstuk II Doelstelling, taken en bevoegdheden

 

Artikel 3 Belang en doel

1.      De regeling wordt uitsluitend getroffen ter behartiging van de uitvoering van bedrijfsvoeringsprocessen van de deelnemers.

2.      De bedrijfsvoeringsorganisatie verzorgt voor de deelnemers in brede zin de ondersteuning op het terrein van de bedrijfsvoering en creëert daarmee de voorwaarden voor een efficiënte en klantgerichte bedrijfsvoering.

 

Artikel 4 Taken

1.      Aan de bedrijfsvoeringsorganisatie worden binnen het belang als bedoeld in artikel 3 in ieder geval de volgende taken, hierna genoemd basistaken, opgedragen:

  1. a.systeembeheer van ICT-middelen;

  2. b.inkoop van middelen voor ICT;

  3. c.informatiebeveiliging;

  4. d.I&A-architectuur;

  5. e.ondersteuning van informatiemanagement;

  6. f.ICT-projectmanagement;

  7. g.inkoop van ICT-opleidingen;

  8. h.I&A-advies en –beleidsvoorbereiding.

 

2.      De nadere omschrijving van de basistaken, de intensiteit van en condities waaronder de basistaken worden uitgevoerd worden door het bestuur vastgelegd in een dienstverleningshandvest. De deelnemers nemen het pakket aan basistaken volledig af en sluiten daartoe met de bedrijfsvoeringsorganisatie een dienstverleningsovereenkomst. Het is mogelijk om een meer intensieve wijze van uitvoering van de basistaken overeen te komen.

 

3.      Naast het uitvoeren van de basistaken kan de bedrijfsvoeringsorganisatie ook aanvullende dienstverlening op het terrein van bedrijfsvoering voor één of meer van de deelnemers verzorgen. Het bestuur beslist hierover op basis van een verzoek van een deelnemer. Deze aanvullende dienstverlening en de daarvoor geldende condities, alsook de wijze waarop deze aanvullende dienstverlening kan worden beëindigd, worden in het dienstverleningshandvest vastgelegd. Wanneer aanvullende dienstverlening wordt verzorgd wordt dit eveneens in de dienstverleningsovereenkomst met de betreffende deelnemer opgenomen.

 

4.      De concrete afspraken over de uitvoering van het basispakket en indien aan de orde de aanvullende dienstverlening per deelnemer wordt door de bedrijfsvoeringsorganisatie jaarlijks in een actieprogramma vastgelegd.

 

5.      Indien door het bestuur andere bedrijfsvoeringstaken als basistaken worden vastgesteld is daarvoor instemming van de gezamenlijke deelnemers nodig op de wijze als bedoeld in artikel 22 van deze regeling.

 

6.      Naast de in het eerste, tweede, derde en vijfde lid genoemde taakuitoefening voor de

     deelnemers kan de bedrijfsvoeringsorganisatie, tot een maximum van 20% van de omzet, of althans tot het maximum percentage dat conform Europeesrechtelijke regelgeving is toegestaan, basistaken of aanvullende diensten op het terrein van bedrijfsvoering verrichten voor derden. Het bestuur handelt daarbij op de wijze als omschreven in het derde lid van dit artikel. Voor deze dienstverlening wordt met de betreffende derde een dienstverleningsovereenkomst gesloten.

 

Artikel 5 Bevoegdheden

Het bestuur bezit de bevoegdheden als vermeld in artikel 33b van de wet.

 

 

Hoofdstuk III Het bestuur

 

Artikel 6 Samenstelling

1.         Het bestuur bestaat uit evenveel leden als er deelnemers zijn.

2.      De colleges van de deelnemers wijzen elk één lid uit hun midden aan. Voor ieder lid wordt door en uit het betreffende college tevens een plaatsvervangend lid aangewezen.

3.      Het lidmaatschap van het bestuur eindigt op het tijdstip waarop het lid ophoudt
lid te zijn van het college dat hem heeft aangewezen.

4.      Indien een zetel van een lid van het bestuur vacant komt, wijst het
college van de betreffende deelnemer zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.

5.      Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangende
leden.

6.      Bij het bestaan van één of meer vacatures blijven de resterende bestuursleden bevoegd besluiten te nemen.

7.      Ieder lid van het bestuur heeft één stem.

8.      Het bestuur besluit bij meerderheid van stemmen, tenzij anders in deze regeling is bepaald.

 

Artikel 7 Voorzitter

1.      Het bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter aan.

2.      De voorzitter ondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan. De voorzitter kan na toestemming daartoe van het bestuur het tekenen van bepaalde stukken, welke van het bestuur uitgaan, opdragen aan de manager.

3.      De voorzitter is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de vergaderingen van het
bestuur en tevens voor de vergaderorde binnen het bestuur.

4.      Het bestuur kan de voorzitter machtigen om namens het bestuur te handelen.

5.      Het bestuur regelt de vervanging van de voorzitter.

 

Artikel 8 Werkwijze bestuur

1.         Het bestuur vergadert tenminste tweemaal per jaar en voorts zo dikwijls als een lid dit nodig acht en daarom vraagt onder schriftelijke opgave van te behandelen onderwerpen. In dit laatste geval vindt de vergadering plaats binnen twee weken na het verzoek.

2.      De artikelen 56 en 58 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op de besluiten van het bestuur.

 

Artikel 9 Bevoegdheden bestuur

1.      Het bestuur heeft alle bevoegdheden die het bij of krachtens de wet en deze regeling toekomt.

2.      Tot de taken en bevoegdheden van het bestuur behoren in ieder geval:

a.      Het vaststellen van het jaarlijkse actieprogramma;

b.      Het vaststellen en wijzigen van het dienstverleningshandvest;

c.      Het vaststellen en wijzigen van een bijdrageregeling waarin de financiële bijdragen van de deelnemende gemeenten voor de basistaken en de aanvullende diensten worden vastgelegd;

d.      Het opstellen van een model dienstverleningsovereenkomst voor de afname van diensten;

e.      Het vaststellen en wijzigen van de interne en organisatorische kaders van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

f.      Het behartigen van de belangen van de bedrijfsvoeringsorganisatie bij andere overheden, instellingen, bedrijven of personen waarmee contact voor de bedrijfsvoeringsorganisatie van belang is;

g.     Het houden van toezicht op het functioneren van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

h.      Het nemen van conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte, en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit;

i.      Het nemen van besluiten tot oprichting van en deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, de raden gehoord.

3.      De besluiten omtrent de bevoegdheden als genoemd in dit artikel in het tweede lid, onder b en c worden door het bestuur met een twee derde meerderheid van stemmen genomen.

 

 

 

Hoofdstuk IV Inlichtingen en verantwoording naar de gemeenten

 

Artikel 10

1.      Het bestuur verstrekt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, schriftelijk aan de colleges en de raden van de deelnemers de door hen gevraagde inlichtingen. De vragen van en antwoorden aan een college worden ter kennis gebracht van de andere colleges.

2.      Het bestuur geeft daarnaast aan de colleges en de raden ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde beleid nodig is.

3.      Een lid van het bestuur is aan het college van burgemeester en wethouders dat hem heeft aangewezen, verantwoording schuldig voor het door hem in het bestuur gevoerde beleid.

4.      Een lid van het bestuur kan door het college van burgemeester en wethouders dat hem heeft aangewezen worden ontslagen indien dit lid niet meer het vertrouwen van dat college bezit.

 

 

Hoofdstuk V Manager

 

Artikel 11 Benoeming en taak

1.      Het bestuur wordt ondersteund door een manager, die in de vergaderingen van dit bestuursorgaan een adviserende taak heeft.

2.      De manager is in dienst van de bedrijfsvoeringsorganisatie.

3.      De aanstelling, de schorsing en het ontslag van manager geschiedt door het bestuur.

4.      De manager is belast met de leiding van de bedrijfsvoeringsorganisatie.

5.      De manager is verantwoording schuldig aan het bestuur.

 

Artikel 12 Managementstatuut

1.      Het bestuur stelt een statuut vast waarin de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de manager zijn vastgelegd. In dit statuut legt het bestuur middels een mandaatbesluit tevens vast dat de manager mandaat, machtiging en volmacht wordt verleend omtrent deze taken.

2.      In het mandaatbesluit omtrent de bevoegdheden van de manager wordt de manager de bevoegdheid verleend om specifiek door het bestuur bepaalde bevoegdheden in ondermandaat te verlenen aan de verschillende, daartoe expliciet aangewezen, medewerkers van de bedrijfsvoeringsorganisatie.

 

 

Hoofdstuk VI Personeel

 

Artikel 13 Personeel

1.      Bij de bedrijfsvoeringsorganisatie is personeel werkzaam.

2.      Het bestuur stelt de rechtspositie van het personeel vast.

 

Hoofdstuk VII Archief

 

Artikel 14 Archief

Het bestuur draagt zorg voor de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de bedrijfsvoeringsorganisatie. Ten aanzien van de archiefbescheiden zijn de voorschriften die voor gemeenten gelden van overeenkomstige toepassing.

 

 

Hoofdstuk VIII Begroting en rekening

 

Artikel 15 Financiën algemeen

Met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie, het kasbeheer en de

controle zijn de artikelen 212 en 213 van de Gemeentewet van overeenkomstige

toepassing. Het bestuur stelt de op grond van deze artikelen vereiste regelingen vast.

 

Artikel 16 Kadernota, begroting en verantwoording

1.      Het bestuur zendt jaarlijks voor 15 maart van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kadernota aan de raden van de deelnemers. De raden kunnen het bestuur van hun zienswijzen op de algemene financiële en beleidsmatige kadernota doen blijken.

2.      Het bestuur stelt jaarlijks voor 15 april een ontwerpbegroting op voor het volgende kalenderjaar en zendt deze, voorzien van een toelichting, tijdig, doch uiterlijk acht weken voordat deze wordt vastgesteld door het bestuur, toe aan de raden.

3.      De begroting, de jaarrekening en het jaarverslag dienen te voldoen aan het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

4.      De raden doen het bestuur van hun zienswijze over de ontwerpbegroting blijken.

5.      Het bestuur stelt, gehoord de zienswijzen van de raden, de begroting met een twee derde meerderheid van stemmen vast en zendt terstond afschriften aan de colleges van de deelnemende gemeenten.

6.      Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling doch voor 1 augustus, overeenkomstig artikel 34 lid 2 van de wet, aan gedeputeerde staten.

7.      De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

8.      De inkomsten van de bedrijfsvoeringsorganisatie bestaan uit de door de deelnemers te betalen bijdrage voor de instandhouding en uitvoering van de basistaken en uit de vergoeding voor de uitvoering van de aanvullende dienstverlening.

9.      De kosten voor instandhouding van de bedrijfsvoeringsorganisatie en de uitvoering van de  basistaken worden de deelnemers in rekening gebracht op basis van de bepalingen, vastgelegd in de bijdrageregeling als bedoeld in artikel 9 tweede lid onder c.

10. De PIOFAH ondersteuning van de bedrijfsvoeringsorganisatie wordt belegd bij één of meer van de deelnemers. De kosten voor deze ondersteuning worden opgenomen in de begroting van de bedrijfsvoeringsorganisatie.

11. De kosten voor aanvullende dienstverlening worden met inachtneming van de bijdrageregeling rechtstreeks in rekening gebracht bij de deelnemer met wie daarvoor een dienstverleningsovereenkomst is gesloten.

 

Artikel 17 Rekening

1.      Het bestuur legt over elk kalenderjaar verantwoording af aan de deelnemers over de inkomsten en uitgaven onder overlegging van de daarbij behorende bescheiden.

2.      Het bestuur voegt daarbij een verslag van een onderzoek naar het getrouwe

beeld van de baten en lasten en van een onderzoek naar de rechtmatigheid daarvan,

ingesteld door de overeenkomstig artikel 213 van de Gemeentewet aangewezen

deskundige, alsmede hetgeen voor haar verantwoording van belang is.

  1. 3.Het bestuur zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, het concept jaarverslag en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemers. De raden kunnen het bestuur van hun zienswijzen op de voorlopige jaarrekening doen blijken.

 

  1. 4.Het bestuur stelt de rekening van het voorafgaande jaar voor 1 juli vast en

zendt deze binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli aan

Gedeputeerde Staten. Van de vaststelling doet het bestuur mededeling aan de colleges en de raden van de deelnemers.

 

Artikel 18 Batig en nadelig saldo

  1. 1.Mocht enig exploitatiejaar een batig saldo opleveren op de instandhouding van de bedrijfsvoeringsorganisatie en uitvoering van de basistaken dan zal dit saldo worden toegevoegd aan de reserve van de bedrijfsvoeringsorganisatie totdat deze een omvang van 10% van het totaal van de begroting van de bedrijfsvoeringsorganisatie omvat.

  2. 2.Mocht enig exploitatiejaar een nadelig saldo op de instandhouding van de bedrijfsvoeringsorganisatie en uitvoering van de basistaken opleveren dan zal dit exploitatietekort worden gedekt uit de reserve van de bedrijfsvoeringsorganisatie.

  3. 3.Een batig saldo op de instandhouding van de bedrijfsvoeringsorganisatie en uitvoering van de basistaken dat niet aan de reserve van de bedrijfsvoeringsorganisatie kan worden toegevoegd omdat deze het maximum van 10% van het balanstotaal bereikt heeft, wordt in de begroting van het eerstvolgende kalenderjaar verrekend met de bijdrage van de deelnemers voor de instandhoudingskosten en de uitvoering van de basistaken voor dat jaar.

  4. 4.Een nadelig saldo op de instandhouding van de bedrijfsvoeringsorganisatie en uitvoering van de basistaken, dat niet kan worden gedekt uit de reserve van de bedrijfsvoeringsorganisatie, wordt naar evenredigheid van de inbreng voor dat jaar omgeslagen over de deelnemers.

  5. 5.In de bijdrageregeling en het dienstverleningshandvest worden aanvullende afspraken vastgelegd omtrent onderlinge vrijwaringen en de behandelwijze van een batig of nadelig saldo ten aanzien van de aanvullende dienstverlening, zodra deze geleverd wordt.

 

Artikel 19 Financiering

  1. 1.In de begroting wordt aangegeven welke bijdrage iedere deelnemer verschuldigd is voor instandhouding van de bedrijfsvoeringsorganisatie en het uitvoeren van de basistaken.

  2. 2.Voorschotten voor de instandhoudingskosten en het uitvoeren van de basistaken worden in de eerste maand van elk kwartaal door de bedrijfsvoeringsorganisatie aan de deelnemers gefactureerd. De basis hiervoor vormt de begroting van het betreffende jaar.

  3. 3.Voorschotten voor de kosten van de aanvullende dienstverlening worden in de eerste maand van elk kwartaal door de bedrijfsvoeringsorganisatie aan de deelnemers gefactureerd. Een en ander wordt vastgelegd in de dienstverleningsovereenkomst die met de betreffende deelnemer wordt afgesloten.

  4. 4.De deelnemers dragen er zorg voor dat de bedrijfsvoeringsorganisatie te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al haar verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

  5. 5.Indien het bestuur blijkt dat een deelnemer weigert de bijdragen aan de bedrijfsvoeringsorganisatie op zijn begroting te zetten, doet het onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet. Artikel 10a van de wet is van overeenkomstige toepassing.

 

 

Hoofdstuk IX Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing

 

Artikel 20 Toetreding

  1. 1.Toetreding door een college dat nog niet deelneemt aan deze regeling is mogelijk op basis van een daartoe strekkend voorstel van het bestuur. Eerst na instemming van de colleges, na verkregen toestemming van hun raad voor het door hen te nemen besluit als bedoeld in artikel 1, tweede lid van de wet, vindt toetreding plaatst.

  2. 2.Ook samenwerkingsverbanden kunnen toetreden. Het eerste lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing.

  3. 3.In geval van toetreding door een samenwerkingsverband wordt deze regeling enkel redactioneel aangepast zodat aan het algemeen en dagelijks bestuur van dat samenwerkingsverband gelijke bevoegdheden worden toegekend als aan de colleges en raden van de deelnemende gemeenten.

  4. 4.Aan de toetreding kunnen door het bestuur voorwaarden worden verbonden.

  5. 5.Een toetredend college of bestuur van een samenwerkingsverband is gebonden aan het dienstverleningshandvest als bedoeld in artikel 4 van deze regeling.

  6. 6.Het bestuur regelt de gevolgen van de toetreding.

 

Artikel 21 Uittreding

  1. 1.Een college kan tot uittreding besluiten, na verkregen toestemming van zijn raad als bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid van de wet.

  2. 2.De uittreding kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 januari van enig jaar, met dien verstande dat tenminste een opzegperiode van één kalenderjaar na het besluit, bedoeld in het eerste lid, in acht is genomen.

  3. 3.Het bestuur regelt in een uittredingsregeling de financiële en andere gevolgen van de uittreding. Alvorens hieromtrent de besluiten hoort het bestuur de colleges van de deelnemers. Het bestuur neemt zijn besluit vervolgens met een twee derde meerderheid. Daarbij geldt in ieder geval als uitgangspunt dat de volgende kosten en bedragen voor rekening van de uittredende deelnemer komen:

    1. a.de eenmalige kosten als gevolg van het uittreden;

    2. b.de contante waarde van de door het uittreden ontstane meerkosten voor de overige deelnemers en de bedrijfsvoeringsorganisatie, gekapitaliseerd voor een periode van 5 jaar, te rekenen vanaf het moment van uittreding.

 

Artikel 22 Wijziging

  1. 1.Het bestuur of een college kan voorstellen tot wijziging van de regeling doen.

  2. 2.De regeling kan worden gewijzigd op basis van een daartoe strekkend voorstel van het bestuur. Eerst na een daartoe genomen besluit van de colleges, na verkregen toestemming van hun raad voor het door hen te nemen besluit als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet, vindt wijziging plaats.

 

Artikel 23 Liquidatie

  1. 1.De regeling wordt opgeheven wanneer de colleges, na daartoe verkregen toestemming van hun raden, voor het door hen te nemen besluit als bedoeld in artikel 1, tweede lid van de wet, daartoe besluiten.

  2. 2.In geval van opheffing stelt het bestuur met twee derde meerderheid een liquidatieplan vast, de raden gehoord.

  3. 3.Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing.

  4. 4.Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen van de opheffing voor het personeel.

  5. 5.Het bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.

  6. 6.Het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie blijft ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid.

 

 

Hoofdstuk X Overgangs- en slotbepalingen.

 

Artikel 24 Klachten en geschillen

  1. 1.Overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Algemene Wet Bestuursrecht kan een ieder bij het bestuur een klacht indienen over gedragingen van het bestuur, de manager of medewerkers.

  2. 2.Het bestuur stelt een interne klachtenregeling vast.

  3. 3.Het bestuur spant zich in voor het langs minnelijke weg oplossen van een geschil omtrent de regeling. Bij gebreke van een oplossing beslissen gedeputeerde staten conform artikel 28 van de Wet.

 

Artikel 25 Bekendmaking en inwerkingtreding

  1. 1.De regeling treedt in werking één dag na bekendmaking daarvan.

  2. 2.Het college van burgemeester en wethouders van Hattem zorgt voor de bekendmaking van de regeling in de Staatscourant. Tevens zorgt dit college voor inzending van de regeling aan gedeputeerde staten, als bedoeld in artikel 26 van de wet, binnen een maand na vaststelling van de regeling.

  3. 3.Het eerste en tweede lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing voor besluiten tot toetreding, uittreding, wijziging en opheffing van de regeling.

  4. 4.De deelnemers nemen de regeling op in het door hen bij te houden register als bedoeld in artikel 27 van de wet.

 

Artikel 26 Duur van de regeling

De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

 

Artikel 27 Titel

De regeling wordt aangehaald als ‘Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie H2O’.

 

 

 

Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem,

d.d.

 

 

 

de secretaris                          de burgemeester

 

 

 

Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Heerde,

d.d.

 

 

 

de secretaris                          de burgemeester

 

Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek,

d.d.

 

 

 

de secretaris                          de burgemeester

 

Toelichting Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie H2O

Toelichting Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie H2O (PDF)
Omschrijving: